Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:945

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
20-000481-21
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 312 SrArt. 317 SrArt. 6:106 BWArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep woningoverval met geweld en afpersing in Heerlen

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor twee woningovervallen gepleegd in de nachtelijke uren, waarbij geweld en bedreiging met vuurwapens werden gebruikt. De eerste overval vond plaats op 30 juni 2005 in Heerlen, waarbij sieraden, geld en een horloge werden weggenomen van het slachtoffer en haar kinderen getuige waren. De tweede overval betrof een woning in Maastricht op 4 juli 2005.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Limburg en deed opnieuw recht. Het sprak verdachte vrij van de tweede woningoverval wegens onvoldoende bewijs, met name vanwege twijfel over bloedsporen en herkenning door een slachtoffer. Voor de eerste woningoverval achtte het hof het bewezen dat verdachte samen met anderen de woning binnendrong, geweld gebruikte en afpersing pleegde.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, het gebruik van vuurwapens, de aanwezigheid van kinderen, en het strafrechtelijk verleden van verdachte. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn werd de gevangenisstraf vastgesteld op 4 jaar. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan slachtoffers voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf voor woningoverval met geweld en afpersing, vrijgesproken van tweede woningoverval.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000481-21
Uitspraak : 7 april 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 februari 2021, in de strafzaak met parketnummer 03-700091-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van
  • ‘diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning’ (
  • ‘diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning’ (
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Voorts heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (
feit 1), [slachtoffer 2] (
feit 1), [slachtoffer 3] (
feit 1), [slachtoffer 4] (
feit 2), [slachtoffer 5] (
feit 2) en [slachtoffer 6] (
feit 2), en ten behoeve van de slachtoffers de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Ten slotte heeft de rechtbank – bij afzonderlijk minuut – de gevangenneming bevolen van de verdachte.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (
feit 1) en [slachtoffer 3] (
feit 1) en, in zoverre opnieuw rechtdoende, die vorderingen (integraal) zal toewijzen tot een bedrag van respectievelijk € 17.892,00 en € 2.000,00.
De verdediging heeft (partiële) vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde schieten als verfeitelijking van (de bedreiging met) het geweld en vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde. Voorts heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd, een standpunt ingenomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en voorwaardelijke verzoeken gedaan in relatie tot feit 2.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het zich niet kan verenigen met de bewijsbeslissing van de rechtbank ter zake van feit 2.
Dit laat onverlet dat het hof – op dezelfde gronden als de rechtbank – tot een bewezenverklaring komt van het onder 1 tenlastegelegde, zodat het hof op dat punt onderdelen uit het vernietigde vonnis zal overnemen in het onderhavige arrest.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 30 juni 2005 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om omstreeks 2.30 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, gelegen aan [adres 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sieraden en/of een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en/of
hij op of omstreeks 30 juni 2005 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om omstreeks 2.30 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, gelegen aan [adres 2] , met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van haar horloge, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),
- die [slachtoffer 1] meermalen, in elk geval eenmaal, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen haar hoofd heeft/hebben gezet en/of
- met een vuurwapen heeft/hebben geschoten en/of
- meermalen, in elk geval eenmaal, een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] gericht heeft/hebben gehouden en/of
- die [slachtoffer 1] meermalen, in elk geval eenmaal, heeft/hebben geslagen.
2.
hij op of omstreeks 4 juli 2005 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om omstreeks 4.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, gelegen aan [adres 3] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldkistjes met daarin € 150.000,- en/of een verzameling gouden munten en/of een T-shirt en/of sieraden en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),
- die [slachtoffer 5] heeft/hebben vastgebonden en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gericht heeft/hebben gehouden en/of
- die [slachtoffer 7] heeft/hebben geslagen en/of
- tegen die [slachtoffer 5] heeft/hebben gezegd dat als hij tegen zou werken ze hem kapot zouden schieten en/of ‘niet kijken, niet kijken, ik maak je kapot’.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 2
Het hof stelt vast dat in de kern twee onderdelen uit het dossier wijzen op het daderschap van de verdachte bij de onder 2 tenlastegelegde woningoverval te Maastricht op 4 juli 2005:
het bloedspoor dat op een in de woning aangetroffen breekijzer/sloopbeitel (
het hof beschouwt deze woorden als synoniem van elkaar) is aangetroffen, en waarvan het daaruit verkregen DNA-profiel (met een matchkans kleiner dan één op één miljard) overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte;
een verklaring van [slachtoffer 5] , inhoudende dat hij de stem van een van de overvallers herkende als de stem van een man die hij eerder sprak en – naar aanleiding van een meervoudige fotoconfrontatie – dat het uiterlijk (van de persoon op de foto) van de verdachte het meest in de richting komt van het uiterlijk van de door [slachtoffer 5] bedoelde man waarvan hij de stem had herkend.
De verdediging heeft met betrekking tot het op de breekijzer/sloopbeitel aangetroffen bloedspoor aangevoerd dat niet vaststaat dat dit bloedspoor daarop terechtgekomen is tijdens de overval op 4 juli 2005, en daarop ook terechtgekomen kan zijn op een eerder moment zoals bij het door de verdachte plegen van de onder 1 tenlastegelegde woningoverval. Daarvan is immers vastgesteld dat de verdachte daarbij bloed achtergelaten heeft. De verdachte heeft dit ook schriftelijk verklaard (d.d. 18 maart 2026).
Het hof acht dit alternatieve scenario – hoewel voormelde schriftelijke verklaring (zeer) laat naar voren is gebracht – niet
op voorhandonaannemelijk. Evenmin blijkt uit het dossier van feiten en omstandigheden die maken dat dit scenario als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Het tijdsverloop acht het hof verder niet voldoende om reeds daarom (de verklaring van) de verdachte op dat punt als ongeloofwaardig aan te merken. Dit maakt dan ook dat het hof dit (op het breekijzer/sloopbeitel aangetroffen) bloedspoor niet als daderspoor aanmerkt.
Het hof stelt verder vast dat naar aanleiding van de fotoconfrontatie geen eigenlijke herkenning heeft plaatsgevonden door [slachtoffer 5] . [slachtoffer 5] heeft slechts verklaard van welke persoon het uiterlijk het meest in de richting kwam van de uiterlijke kenmerken van de eerder door hem gesproken man. Dit heeft hij in de kern bevestigd bij gelegenheid van zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris.
Gelet op het vorenstaande resteert daarmee in feite uitsluitend de stemherkenning door [slachtoffer 5] . Daarmee schiet het bewijs tekort om tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde te komen, zodat het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.
Nu het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde, behoeven de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging geen bespreking meer.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op 30 juni 2005 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, omstreeks 2.30 uur, in een woning gelegen aan [adres 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sieraden en geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming en welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,
en/of
hij op 30 juni 2005 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, omstreeks 2.30 uur, in een woning gelegen aan [adres 2] , met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van haar horloge, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of dat goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,
welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),
- die [slachtoffer 1] meermalen een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen haar hoofd heeft/hebben gezet en
- met een vuurwapen heeft/hebben geschoten en
- meermalen een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] gericht heeft/hebben gehouden en
- die [slachtoffer 1] meermalen heeft/hebben geslagen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen [1]
[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van een woningoverval en heeft bij de politie verklaard, dat zij op 30 juni 2005 omstreeks 02.30 uur, samen met haar achtjarige zoon in bed lag op de eerste verdieping van de woning aan [adres 2] (gemeente Heerlen).
Haar andere zoontje, drie jaar oud, lag alleen in de andere slaapkamer. [slachtoffer 1] hoorde rond dat tijdstip een zeer harde klap. Vervolgens hoorde zij iemand in de Duitse taal roepen: “Polizei, Polizei”. Direct daarna kwamen drie, haar onbekende, personen naar haar slaapkamer. Zij droegen allemaal een bivakmuts. Toen deze drie personen haar slaapkamer binnenkwamen, hoorde [slachtoffer 1] dat iemand anders de zolder opliep. Zij heeft deze persoon niet gezien.
De drie personen kwamen naar het bed en vroegen in de Duitse taal waar haar man was. [slachtoffer 1] antwoordde dat haar man niet thuis was. De kleinste van de drie voerde hoofdzakelijk het woord. Hij vroeg aan [slachtoffer 1] waar haar man was. Zij zei dat hij op stap was. Vervolgens vroeg hij waar de kluis was. [slachtoffer 1] zei dat ze geen kluis had. Toen de kleinste persoon tegen [slachtoffer 1] sprak, had hij een vuurwapen in zijn hand en zette hij dit tegen de zijkant van haar hoofd. De twee anderen die op de slaapkamer waren hadden ook wapens in hun handen.
[slachtoffer 1] zag vervolgens dat de kleinste van de drie naar de deur liep die op de slaapkamer is. Op het moment dat hij het rolluik van deze deur omhoog trok, hoorde [slachtoffer 1] een klap en zag zij dat de kleinste aan de kant sprong. Zij zag dat er iets uit zijn handen viel en dat hij dat opraapte en weer in het wapen duwde. [slachtoffer 1] vermoedde toen dat er geschoten was.
Terwijl de kleinste vervolgens een klein kastje boven de televisie leeghaalde, hield hij een vuurwapen gericht op [slachtoffer 1] . Zij zag dat de derde persoon op de gang stond. Vervolgens vroeg de kleine man aan [slachtoffer 1] : “Money”. Daarna vroeg hij in gebrekkig Duits: “Geld”. Ook vroeg hij naar sieraden. [slachtoffer 1] zei dat ze geen geld had. Al die tijd hield hij een wapen gericht op haar en bedreigde hij haar daarmee. Af en toe zette hij het wapen op de zijkant van haar hoofd. Op een bepaald moment moest [slachtoffer 1] met de kleinste meelopen naar de badkamer en hierbij werd het wapen tegen haar hoofd gezet. [slachtoffer 1] zag dat er al iemand op de badkamer was die de handdoeken uit de kast had gehaald. De kleinste vroeg haar wederom waar de kluis was en waar de ‘money’ was. [slachtoffer 1] antwoordde dat er geen kluis was en dat zij geen geld had.
Op de badkamer hadden de personen inmiddels geld gevonden. [slachtoffer 1] weet echter niet wie het geld, een bedrag van € 300,00 tot € 500,00 dat op de badrand lag, heeft weggenomen. [slachtoffer 1] moest vervolgens terug naar de slaapkamer gaan, waar zij in bed ging liggen en zag dat de kleinste een potje met sieraden omkeerde op bed. Hij heeft een kleine witgouden ketting en nog enkele andere kettingen meegenomen. Zij moest vervolgens haar horloge afdoen en aan de kleinste geven.
Er werd nogmaals naar geld gevraagd en op dat moment hoorde [slachtoffer 1] buiten een zwaar geluid, mogelijk afkomstig van een auto. Zij hoorde vervolgens dat er personen de trap naar beneden af renden. Alleen de kleinste bleef op de slaapkamer staan. Hij vroeg nogmaals naar geld en de kluis, waarop zij antwoordde dat zij geen geld en kluis had. Hij riep via de openstaande deur iets naar buiten, waarna hij terugliep naar [slachtoffer 1] en het wapen weer op de zijkant van haar hoofd richtte. Hij zei haar niet de politie te waarschuwen, anders zou hij de kinderen van school halen en zou zij haar kinderen niet meer zien. [slachtoffer 1] moest blijven liggen, waarna de kleinste weer naar de deur liep en vervolgens naar beneden sprong dan wel zich naar beneden liet zakken. Direct daarna hoorde [slachtoffer 1] dat er een auto wegreed.
[slachtoffer 1] heeft verder nog verklaard dat de kleine persoon haar op de zijkant van haar lichaam en een keer op haar rechteroog heeft geslagen. Door de verbalisant die de aangifte opnam, werd waargenomen dat [slachtoffer 1] een blauwe plek onder haar rechteroog had.
Aan de voorkant van het nachthemd dat [slachtoffer 1] tijdens de overval droeg, zat bloed. [slachtoffer 1] heeft niet gezien dat één van de daders aan het bloeden was, maar het bloed moet van één van hun zijn. [2]
In en om de woning aan [adres 2] is forensisch onderzoek verricht. [3]
De daders hebben een rolluik voor het raam in de keuken gedeeltelijk vernield, waarna met een steen de – zich achter dit rolluik bevindende – ruit werd ingegooid en de woning kon worden binnengeklommen.
Op de linkerzijde van het kozijn van de balkondeur op de eerste verdieping is een bloedveeg aangetroffen. In de badkamer op de eerste etage werden enkele bloeddruppels aangetroffen.
Ook ontving verbalisant van het slachtoffer [slachtoffer 1] de nachtkleding die zij tijdens de woningoverval had gedragen en waarop zich bloed bevond. Deze bloedsporen werden veiliggesteld en bemonsterd.
In 2005 is er een vergelijkend DNA-onderzoek uitgevoerd. [4] De DNA-profielen van het onderzochte bloed in de bemonsteringen – een bloedmonster vanaf de badkamervloer, een bloedmonster van het deurkozijn en een bloedmonster vanaf de nachtkleding van het slachtoffer [slachtoffer 1] – blijken afkomstig te zijn van één en dezelfde man.
Het DNA-profiel van het bloedmonster vanaf de badkamervloer is vervolgens op 9 januari 2005 opgenomen in de DNA-databank en vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij die vergelijking zijn toen geen overeenkomstige DNA-profielen gevonden.
In 2014 heeft er wederom vergelijkend DNA-onderzoek plaatsgevonden en het bemonsterde bloedspoor vanaf de badkamervloer werd geïdentificeerd op het DNA-profiel van [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] . De match is ontstaan doordat een DNA-profiel vanuit België naar Nederland is gestuurd. De matchkans van de bij de match betrokken DNA-kenmerken is kleiner dan één op één miljard. [5]
In 2019 heeft het NFI, voor het berekenen van de bewijskracht van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van [verdachte] en de DNA-profielen van de drie bemonsteringen, de resultaten van het DNA-onderzoek (van 11 augustus 2005) beschouwd onder het volgende hypothesepaar:
  • Hypothese 1:De bemonsteringen bevatten DNA van [verdachte] ;
  • Hypothese 2:De bemonsteringen bevatten DNA van een willekeurige onbekende, niet aan [verdachte] verwante persoon.
De verkregen DNA-profielen zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is. De bevindingen van het onderzoek zijn ten minste één miljard keer waarschijnlijker als die eerste hypothese waar is, dan wanneer de tweede hypothese waar zou zijn. [6]
Ten slotte heeft de verdachte erkend dat hij naar de woning is gegaan om met anderen geld weg te halen van de heer [slachtoffer 3] en dat hij ter plaatse de vrouw en een kind van [slachtoffer 3] aantrof. Ook heeft de verdachte erkend dat hij een breekijzer heeft gebruikt om de woning te betreden en dat hij daarbij flink heeft gebloed. [7]
Bewijsoverwegingen
Algemene bewijsoverweging
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Bijzondere bewijsoverwegingen
Het hof gaat er, gelet op de drie afzonderlijke bloedsporen (aangetroffen op de badkamervloer, het deurkozijn en de nachtkleding van het slachtoffer [slachtoffer 1] ), van uit dat de desbetreffende bloedsporen moeten worden aangemerkt als dadersporen. Het uit deze bloedsporen verkregen DNA-profiel komt overeen met het DNA-profiel van de verdachte (met een matchkans kleiner dan één op één miljard). Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte één van de overvallers in de woning van [slachtoffer 1] is geweest. De verdachte en in ieder geval twee mededaders droegen bivakmutsen en hadden allemaal een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast. Uit het vrijwel meteen na binnenkomst in de woning uitvoeren van intimiderend en gewelddadig gedrag blijkt naar het oordeel van het hof dat sprake is van gebruik van geweld en het dreigen daarmee jegens [slachtoffer 1] . Dit geweld en dreigen met geweld is gepleegd met het oogmerk om geld en goederen weg te kunnen nemen (diefstal) dan wel te doen afgeven (afpersing). Uit de aangifte volgt dat er geld en sieraden uit de woning zijn weggenomen en dat aangeefster haar horloge heeft moeten afgeven.
Op grond van het voorgaande acht het hof het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof is voorts van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof tevens bewezen dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.
Verweer van de verdediging in hoger beroep
De verdediging heeft (partiële) vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde schieten met een vuurwapen (als een van de verfeitelijkingen van het geweld en/of de bedreiging met geweld). Daartoe is aangevoerd dat het desbetreffende schot een vergissing lijkt te zijn geweest bij het omhoog trekken van het rolluik, ook gelet op het feit dat de overvallers onderling aan het schelden waren, waardoor dit geen doelbewuste handeling zou zijn.
Naar het oordeel van het hof doet dit echter – wat daar ook van zij – niet af aan het bedreigende karakter dat van het afgaan van een schot is uitgegaan en hetgeen ook als zodanig mocht worden opgevat door [slachtoffer 1] . Het hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging op dit punt.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft bepleit dat het hof aan de verdachte, bij bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde, een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan bij voorkeur een deel voorwaardelijk, zal opleggen (het hof begrijpt met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht). Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat weliswaar sprake is van een overval die in de nachtelijke uren is gepleegd en gepaard ging met geweld, maar dat daarbij geen zwaar geweld is gebruikt en dus – als uitgangspunt – een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren redelijk is. Daarop zou vervolgens nog een vermindering met 1 jaar moeten plaatsvinden wegens de overschrijding van de redelijke termijn, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij met anderen de woning van [slachtoffer 1] is binnengedrongen en zich met die anderen schuldig heeft gemaakt aan een woningoverval en afpersing in de nachtelijke uren. Daarbij is geweld gepleegd tegen [slachtoffer 1] en is er ook gedreigd met geweld, waarbij vaststaat dat ook haar oudste zoon (destijds slechts 8 jaar oud) getuige is geweest van de overval en haar jongere zoon (3 jaar oud) in de woning aanwezig was. Ook zijn daarbij meerdere op vuurwapens gelijkende voorwerpen gebruikt, waarvan ten minste één – getuige het schot – daadwerkelijk vuurwapen.
Dergelijke feiten zijn ernstig. In de eerste plaats gaan zij vanzelfsprekend gepaard met financiële schade aan bezittingen en door de weggenomen goederen maar – ingrijpender – leiden ze niet zelden tot gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij de slachtoffers en hun omgeving. Dat is buitengewoon kwalijk, nu juist de eigen woning bij uitstek een plek hoort te zijn waar men zich veilig en geborgen moet kunnen voelen. Een minderjarig kind is getuige geweest van het onder schot houden van zijn moeder. Lange tijd was er onzekerheid over wie de daders zijn geweest.
Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025 en het uittreksel ECRIS België d.d. 1 augustus 2018, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en de mate waarin het bewezenverklaarde – zij het niet resulterend in aantoonbaar geestelijk letsel – persoonlijk leed en schade teweeg heeft gebracht bij verschillende slachtoffers. Ook het gewelddadige en georganiseerde karakter ervan, waarbij bovendien ten minste één vuurwapen betrokken is geweest en waarvan ten minste één kind getuige is geweest, maken dat het hof – anders dan de verdediging heeft bepleit – een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren tot uitgangspunt neemt.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn gezondheidssituatie, het gegeven dat hij een gezin heeft, in de horeca werkzaam is en schulden heeft.
Redelijke termijn
Ten slotte heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden.
De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 9 februari 2017 met de aanhouding van de verdachte in België, en geëindigd op 9 februari 2021 met het vonnis van de rechtbank. De redelijke termijn van 24 maanden is in eerste aanleg derhalve met 2 jaren overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 23 februari 2021 met het instellen van hoger beroep door de verdachte, en eindigt heden, 7 april 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest door het hof. De redelijke termijn van 24 maanden is in hoger beroep derhalve met ongeveer 3 jaren, 1 maand en 2 weken overschreden. Daarvan kan een deel van ongeveer 6 maanden worden toegeschreven aan de aanvullende verzoeken van de verdediging.
Niettemin resteert hiermee een (zeer) aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep. Zonder schending van de redelijke termijn zou het hof een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend hebben geacht. Gelet echter op voormelde overschrijding van de redelijke termijn, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek ingevolge artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden. Het hof ziet geen aanleiding om een gedeelte van deze straf voorwaardelijk op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 17.892,95 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering valt uiteen in de volgende posten:
ontvreemd contant geld € 500,00
herstelkosten poort en rolluik € 2.292,95
herstel raam € 100,00
horloge Chopard € 12.000,00
ketting Chopard € 1.000,00
immateriële schade (smartengeld) € 2.000,00 +

Totaal € 17.892,95

Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 4.892,95 (ter zake van posten i, ii, iii en vi). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Posten i (contant geld), ii (herstelkosten poort en rolluik) en iii (herstelkosten raam)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.892,95. De onderbouwing van deze schade volgt uit de vordering tot schadevergoeding en het dossier, en is door de verdediging niet inhoudelijk betwist.
Post vi (smartengeld)
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij met anderen de woning van [slachtoffer 1] is binnengedrongen en zich met die anderen schuldig heeft gemaakt aan een woningoverval en afpersing in de nachtelijke uren. Daarbij is geweld gepleegd tegen [slachtoffer 1] (zij is geslagen waardoor zij letsel heeft opgelopen in het gezicht) en is er ook gedreigd met geweld, waarbij ten minste één vuurwapen is gebruikt dat meermalen tegen haar hoofd is gezet.
De aard en ernst van de normschending door verdachtes handelen brengen in dit geval met zich dat de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo zeer voor de hand liggen, dat kan worden aangenomen dat zij op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Bovendien heeft de benadeelde door het gepleegde geweld lichamelijk letsel opgelopen (blauwe plek onder het oog) als bedoeld in voormeld artikel. Gelet hierop staat naar het oordeel van het hof vast dat [slachtoffer 1] als gevolg hiervan rechtstreeks nadeel heeft geleden dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit kan aan de verdachte worden toegerekend.
Het hof begroot de schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 2.000,00. Bij de begroting heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt betrokken en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Tot slot heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de begroting van schade als hier aan de orde.
Resumé toewijzing
De verdachte is vergoeding van voormelde schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, zijnde de dag waarop de schade wordt geacht te zijn geleden.
Posten iv (Chopard horloge) en v (Chopard ketting)
Hoewel uit het dossier en de vordering tot schadevergoeding blijkt dat een ketting en horloge zijn weggenomen, heeft de benadeelde partij zelf daaraan geen waarde gekoppeld in haar aangifte of anderszins feiten en omstandigheden naar voren gebracht die daarvoor als objectief uitgangspunt zouden kunnen dienen. Nader onderzoek naar de waarde van die sieraden zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De verdachte zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 1] (feit 1)
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 4.892,95. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer aansprakelijk naar burgerlijk recht.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1)
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade (smartengeld). Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen zodat deze reeds daarom in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen is.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij met anderen de woning van [slachtoffer 1] is binnengedrongen en zich met die anderen schuldig heeft gemaakt aan een woningoverval en afpersing in de nachtelijke uren. Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 2] ten tijde van de overval bij zijn moeder, [slachtoffer 1] , in bed lag en de overvallers op een bepaald moment de dekens wegtrokken en zagen dat haar zoon in bed lag. De benadeelde partij is bij de overval aanwezig geweest en is getuige geweest van de overval. De benadeelde heeft ter toelichting van de vordering gesteld dat hij als gevolg van de overval gedurende langere tijd te kampen heeft gehad met angstgevoelens.
De aard en ernst van de normschending door verdachtes handelen brengen in dit geval met zich dat de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij, mede gezien zijn jeugdige leeftijd, zo zeer voor de hand liggen, dat kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro onder b van het Burgerlijk Wetboek. Gelet hierop staat naar het oordeel van het hof vast dat hij als gevolg hiervan rechtstreeks nadeel heeft geleden dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit kan aan de verdachte worden toegerekend.
Het hof begroot de schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 2.000,00. Bij de begroting heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt betrokken en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Tot slot heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij en begroting van schade als hier aan de orde.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, zijnde de dag waarop de schade wordt geacht te zijn geleden.
De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 2] (feit 1)
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 2.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer aansprakelijk naar burgerlijk recht.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2005 aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 1)
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade (smartengeld). Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Op grond van de inhoud van het dossier kan het hof – anders dan bij [slachtoffer 2] – voor de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet vaststellen dat hij daadwerkelijk getuige is geweest van de onder 1 bewezenverklaarde woningoverval en de afpersing waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] slachtoffer zijn geworden. Het gevolg daarvan is dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat gelet op de aard en ernst van de normschending als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen, de nadelige gevolgen voor [slachtoffer 3] zo zeer voor de hand liggen, dat kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro onder b van het Burgerlijk Wetboek.
Nu uit de vordering van de benadeelde partij (en diens onderbouwing) verder niet meer volgt dan dat hij ‘angstklachten’ heeft als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde, kan ook op andere gronden niet worden geconcludeerd dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze en is aldus geen grondslag voor toewijzing van de gevorderde immateriële schade. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij derhalve afwijzen.
De benadeelde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] (feit 2)
De benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] hebben elk in eerste aanleg een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van respectievelijk € 2.000,00, € 2.000,00 en € 6.339,91. Deze vorderingen zijn bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen en reeds daarom in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen.
Nu aan verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde handelen – waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn – geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalde, kunnen de benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] niet in hun respectievelijke vorderingen worden ontvangen.
De benadeelde partijen zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

[slachtoffer 1] (feit 1)

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 4.892,95 (vierduizend achthonderdtweeënnegentig euro en vijfennegentig eurocent)bestaande uit € 2.892,95 (tweeduizend achthonderdtweeënnegentig euro en vijfennegentig eurocent) ter zake van materiële schade (posten i, ii en iii) en € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade (post vi), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 4.892,95 (vierduizend achthonderdtweeënnegentig euro en vijfennegentig eurocent)bestaande uit € 2.892,95 (tweeduizend achthonderdtweeënnegentig euro en vijfennegentig eurocent) ter zake van materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
48 (achtenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

[slachtoffer 2] (feit 1)

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro)ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro)als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
20 (twintig) dagenmet dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

[slachtoffer 3] (feit 1)

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot schadevergoeding af;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;

[slachtoffer 4] (feit 2)

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;

[slachtoffer 5] (feit 2)

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de verdachte begroot op nihil;

[slachtoffer 6] (feit 2)

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de verdachte begroot op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. K.J. van Dijk, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. S. Riemens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 7 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Recherche Zuid-West, High Impact Crime, proces-verbaalnummer 2005085900, gesloten d.d. 10 maart 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 229.
2.Het proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juli 2005 van [slachtoffer 1] , pagina’s 33 tot en met 39.
3.Het proces-verbaal ‘onderzoek op 30 juni 2005 woning ( [adres 2] )’ d.d. 5 juli 2005, pagina’s 54 en 56.
4.Het proces-verbaal relaterende de aanvraag DNA-onderzoek sporen d.d. 12 juli 2005, pagina’s 57 en 58, alsmede het Deskundigenrapport NFI d.d. 11 augustus 2005 van dr. A.J. Kal, pagina’s 63 tot en met 66.
5.Het proces-verbaal ‘identificatie n.a.v. DNA-sporen inzake DNA-cluster 4680’ d.d. 15 januari 2015, pagina 67, en een geschrift, onderwerp match met buitenlands DNA-profiel’ d.d. 31 juli 2014 van dr. Ir. C.P. van der Beek, pagina 68 en 69.
6.Het deskundigenrapport NFI d.d. 30 april 2019 van dr. A.J. Kal (pagina’s 1 tot en met 5), niet doorgenummerd proces-verbaal ‘identificatie n.a.v. DNA-sporen inzake DNA-cluster 4680’ d.d. 15 januari 2015, pagina 67, en een geschrift, onderwerp Match met buitenlands DNA-profiel’ d.d. 31 juli 2014 van dr. Ir. C.P. van der Beek, pagina 68 en 69.
7.Een ander geschrift, te weten (een Nederlandse vertaling van) een schriftelijke verklaring van de verdachte d.d. 18 maart 2026.