ECLI:NL:GHSHE:2026:95

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
20-000321-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillissement- en uitkeringsfraude met veroordeling tot gevangenisstraf

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte is veroordeeld voor faillissementsfraude en uitkeringsfraude. De zaak betreft de verdachte die als feitelijk bestuurder van de failliet verklaarde rechtspersoon [rechtspersoon 1] opzettelijk niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Dit heeft geleid tot een bemoeilijking van de afhandeling van het faillissement. Daarnaast heeft de verdachte opzettelijk nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan het UWV, terwijl dit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij misbruik heeft gemaakt van het sociale stelsel. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en heeft de regels die gelden voor een eerlijk en betaalbaar uitkeringssysteem genegeerd. Het hof heeft ook rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000321-24
Uitspraak : 7 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 29 januari 2024, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-101257-20 en 82-044092-21, tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,
wonende te [adres verdachte] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
  • de eendaadse samenloop van:
  • ‘medeplegen van in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming’ (parketnummer 82-044092-21),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder parketnummer
01-101257-20 onder feit 2 tenlastegelegde. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het onder parketnummer 01-101257-20 onder feit 1 tenlastegelegde en het onder parketnummer 82-044092-21 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan
2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd 2 jaar.
Door de raadsman van de verdachte is vrijspraak bepleit van het onder parketnummer
01-101257-20 onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder parketnummer 82-044092-21 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van vol opzet. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep, met de advocaat-generaal en de raadsman, geconstateerd dat in de op artikel 344a, tweede lid, onder 2 Wetboek van Strafrecht gebaseerde tenlastelegging van feit 2 onder parketnummer 01-101257-20 na de woorden “tijdens het faillissement van voornoemde rechtspersoon” abusievelijk de zinsnede “of voor het faillissement indien dit is gevolgd” is weggevallen. Het hof zal deze kennelijke misslag verbeteren en de tenlastelegging in zoverre verbeterd lezen. De verdachte ondervindt van verbetering van deze misslag geen nadeel. Voor de verdediging was zowel in eerste aanleg als in hoger beroep duidelijk tegen welk verwijt zij zich diende te verdedigen en de verdediging heeft dan ook met deze verbeterde lezing ingestemd. De tenlastelegging is hieronder verbeterd opgenomen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
in de zaak met parketnummer 01-101257-20:
1.
Hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 juni 2018 tot en met 30 augustus 2019, in de gemeente Helmond en/of Roermond en/of Venlo, althans elders in Nederland, (telkens) tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, als (middellijk en/of onmiddellijk) bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2018 in staat van faillissement is verklaard (DOC-001), tijdens het faillissement van voornoemde rechtspersoon, desgevraagd (telkens) opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem en/of zijn medeverdachte(n) rustende wettelijke verplichtingen ter zake, als bedoeld in de Faillissementswet, een ingevolge de wettelijke verplichtingen, te weten artikel 2:10 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 3:15i lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de (benoemde) curator heeft verstrekt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) geen volledige en/of deugdelijke administratie aan voornoemde curator verstrekt en/of doen/laten verstrekken;
2.
Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 augustus 2016 tot en met 5 juni 2018, in de gemeente Helmond en/of Roermond en/of Venlo, althans elders in Nederland, (telkens) tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, als (middellijk en/of onmiddellijk) bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2018 in staat van faillissement is verklaard (DOC-001), tijdens het faillissement van voornoemde rechtspersoon, of voor het faillissement indien dit is gevolgd, (telkens) opzettelijk niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, immers heeft/hebben, verdachte en/of zijn medeverdachte(n) – zakelijk weergegeven – (telkens) geen volledige en/of deugdelijke administratie gevoerd en/of niet (geheel) bewaard, ten gevolge waarvan de afhandeling (van het faillissement van voornoemde rechtspersoon) werd bemoeilijkt;
in de zaak met parketnummer 82-044092-21 (gevoegd ter terechtzitting in eerste aanleg):
Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 september 2014 tot en met 30 november 2019 te Eindhoven, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in verenging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, in strijd met een hem en/of zijn medeverdachte(n) bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 70 lid 1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of artikel 12 lid 1 van de Toeslagenwet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij wist en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) gedurende deze periode niet (tijdig) aan het UWV gemeld dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) op een of meer tijdstip(pen) in de periode waarover verdachte en/of zijn medeverdachte(n) een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontving(en):
  • activiteiten heeft/hebben verricht ten behoeve van een hennepkwekerij, en/of
  • werkzaamheden heeft/hebben verricht en/of inkomsten heeft/hebben genoten als (feitelijk) bestuurder van:
o [rechtspersoon 1] met KvK-nummer [nummer 1] , en/of
o [rechtspersoon 2] met KvK-nummer [nummer 2] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder parketnummer 01-101257-20 onder feit 1 tenlastegelegde
Aan de verdachte is onder parketnummer 02-101257-20 onder feit 1 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, als bestuurder van de failliet verklaarde vennootschap [rechtspersoon 1] in de periode van 5 juni 2018 tot en met 30 augustus 2019 opzettelijk niet terstond overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake de ingevolge de eerste leden van de artikelen 2:10 en/of 3:15i van het Burgerlijk Wetboek gevoerde en bewaarde administratie van die B.V. aan de curator heeft afgegeven (artikel 344a, tweede lid, onder 1 Wetboek van Strafrecht).
In de Memorie van Toelichting wordt dienaangaande het volgende opgemerkt:
“De afgifteplicht, die in de literatuur ook wel als onderdeel van de inlichtingenplicht wordt gezien(hof: inmiddels expliciet opgenomen in artikel 105a, tweede lid, en 106, eerste lid, Faillissementswet)
ligt in het verlengde van de administratieplicht en de bewaarplicht. Deze plicht ziet immers op het ter beschikking stellen van de gevoerde en bewaarde administratie aan de curator. Indien er in strijd met de geldende voorschriften(hof: artikelen 2:10 en/of 3:15i BW)
niet is geadministreerd of de administratie vervolgens niet is bewaard, kan deze ook niet worden afgegeven. Dan wordt niet de afgifteplicht geschonden, maar de administratieplicht en/of de bewaarplicht. Een en ander (…) maakt (…) duidelijk dat handhaving van alle te onderscheiden onderdelen hiervan van belang is”.
In artikel 344a, lid 1 en 2 onder 2 Sr wordt het opzettelijk niet correct naleven van de administratieplicht en/of de bewaarplicht (uit artikel 2:10 en/of 3:15i BW) strafbaar gesteld. Artikel 344a, lid 1 en 2, onder 1 Sr sanctioneert het opzettelijk niet nakomen van de afgifteplicht. Het is voorstelbaar dat beide strafbaarstellingen toepasselijk zijn. Denk enerzijds (met betrekking tot de artikelen 344a, lid 1 en 2, onder 2 Sr) aan het geval dat er wel een administratie is gevoerd, maar opzettelijk niet juist en/of volledig, en/of dat niet alle gevoerde administratie ook is bewaard en anderzijds (met betrekking tot de artikelen 344a, lid 1 en 2, onder 1 Sr) aan de situatie dat niet de gehele (eventueel niet juist en/of volledig) gevoerde administratie (voor zover) die ook is bewaard, desgevraagd opzettelijk niet terstond in ongeschonden vorm (zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken) aan de curator wordt verstrekt. Vanwege de weerbarstige praktijk, die leert dat dit zich eenvoudig kan voordoen, is het cumulatief en subsidiair (“en/of”) tenlasteleggen van zowel (eerst) artikel 344a, lid 1 of 2, onder 2 Sr als (daarna, namelijk na de opgenomen “en/of’) artikel 344a, lid 1 of 2, onder 1 Sr aangewezen. Dat is hier overigens niet geschied.
Uit het dossier blijkt dienaangaande het volgende.
Bij per e-mail verstuurde brief d.d. 6 juni 2018 heeft waarnemend curator mr. [curator 1] de formeel bestuurder van [rechtspersoon 1] , [medeverdachte] , verzocht zo spoedig mogelijk contact met hem op te nemen, teneinde een bespreking in te plannen. Voorts heeft de curator [medeverdachte] verzocht om uiterlijk 11 juni 2018 te 14.00 uur de administratie van de gefailleerde aan te leveren.
Mr. [curator 1] heeft daarbij aangegeven welke stukken over de jaren 2016 tot en met 2018 hij dient te ontvangen. Mr. [curator 1] heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat het aan [medeverdachte] is om de boekhouding aan te leveren, en dat hij de boekhouding niet op gaat halen bij de boekhouder, zoals door de verdachte zou zijn geopperd (pagina 117 en 118 van het FIOD-dossier).
Bij per e-mail verstuurde brief d.d. 7 juni 2018 is door waarnemend curator mr. [curator 1] de ontvangst van de afgegeven administratie bevestigd aan [medeverdachte] en is tevens verzocht kenbaar te maken of deze administratie volledig en compleet is en/of [medeverdachte] nog andere administratie in haar bezit heeft (pagina 124 en 125 van het FIOD-dossier).
Bij e-mailbericht d.d. 11 juni 2018 heeft [medeverdachte] mr. [curator 1] bericht dat zij alles heeft laten inleveren wat zij tot haar beschikking heeft.
Uit het proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 1] door de
rechter-commissaris op 25 mei 2022, volgt dat [getuige 1] eind 2018 is benaderd door de verdachte met de vraag of hij kon helpen. De boekhouder, [bedrijf] , wilde hem de administratie namelijk niet geven. [getuige 1] heeft vervolgens via Snelstart een aantal gegevens kunnen downloaden van 2016, 2017 en een klein stukje over 2018. [getuige 1] heeft contact opgenomen met waarnemend curator mr. [curator 1] en met hem afgesproken dat hij alles uit zou printen en zou afgeven.
Bij schrijven d.d. 18 juni 2018 is door het kantoor van de curator bevestigd dat door [getuige 1] , uit naam van [medeverdachte] in het faillissement van [rechtspersoon 1] , stukken zijn afgegeven (pagina 140 van het FIOD-dossier). Bij e-mailbericht d.d. 18 juni 2018 heeft mr. [curator 1] aan [medeverdachte] bericht welke stukken er volgens hem nog ontbreken/niet volledig zijn (pagina 142 en 143 van het
FIOD-dossier).
Bij e-mailbericht d.d. 25 oktober 2018 heeft waarnemend curator mr. [curator 1] aan [medeverdachte] bericht dat zij tijdens het gesprek een dag eerder samen hebben geconstateerd dat de tot op heden aangeleverde boekhouding niet correct en volledig is, waardoor de rechten en verplichtingen van de gefailleerde vennootschap niet gekend kunnen worden. Mr. [curator 1] heeft [medeverdachte] tot 8 november 2018 de tijd gegeven om de volledige boekhouding af te geven (pagina 153 van het FIOD-dossier).
Bij e-mailberichten d.d. 31 oktober 2018 (pagina 163 van het FIOD-dossier) en 1 november 2018 (pagina 164 en 165 van het FIOD-dossier) heeft [getuige 1] aanvullende stukken aan mr. [curator 1] toegezonden.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte en zijn partner [medeverdachte] de ten tijde van het afgifteverzoek bestaande (gevoerde en bewaarde) en hun ter beschikking staande administratie, zo snel als dat zij dat konden realiseren aan de curator hebben afgegeven/laten afgeven. In het dossier zijn geen aanwijzingen dat er ten tijde van het verzoek van de curator meer administratie bestond dan door en namens de verdachte en [medeverdachte] uiteindelijk aan de curator ter beschikking is c.q. kon worden gesteld. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder parketnummer 01-101257-20 onder feit 1 aan hem tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-101257-20 onder feit 2 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 82-044092-21 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
in de zaak met parketnummer 01-101257-20:
2.
Hij in de periode van 16 augustus 2016 tot en met 5 juni 2018 in Nederland tezamen en in verenging met een ander als bestuurder van de rechtspersoon [rechtspersoon 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2018 in staat van faillissement is verklaard (DOC-001), tijdens het faillissement van voornoemde rechtspersoon, of voor het faillissement, opzettelijk niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers,
immers hebben, verdachte en zijn medeverdachte – zakelijk weergegeven – geen volledige en deugdelijke administratie gevoerd en/of niet (geheel) bewaard, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement van voornoemde rechtspersoon werd bemoeilijkt;
in de zaak met parketnummer 82-044092-21 (gevoegd ter terechtzitting in eerste aanleg):1.
hij in de periode van 15 september 2014 tot en met 30 november 2019 in Nederland, meermalen in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 70 lid 1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of artikel 12 lid 1 van de Toeslagenwet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of een toeslag op grond van de Toeslagenwet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft verdachte gedurende deze periode niet aan het UWV gemeld dat verdachte en/of zijn echtgenote in de periode waarover verdachte een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontving:
- werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten als (feitelijk) bestuurder van:
o [rechtspersoon 1] met KvK-nummer [nummer 1] , en/of
o [rechtspersoon 2] met KvK-nummer [nummer 2] .
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin bevatte bewijsmiddelen maken integraal onderdeel uit van dit arrest.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Bewijsoverwegingen
Inzake het onder parketnummer 01-101257-20 onder feit 2 tenlastegelegde
Door de raadsman van de verdachte is vrijspraak bepleit van het onder parketnummer
01-101257-20 onder feit 2 tenlastegelegde. Daartoe is primair aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte feitelijk bestuurder was van [rechtspersoon 1] . Het feit dat de verdachte mede de huurovereenkomst voor het bedrijfspand heeft ondertekend is onvoldoende voor de vaststelling dat hij feitelijk bestuurder was, nu de verdachte dat enkel op verzoek van de verhuurder heeft gedaan omdat de B.V. nog in oprichting was. Ook de verklaringen van curator mr. [curator 1] en getuige [getuige 2] bieden onvoldoende grond voor de conclusie dat de verdachte feitelijk bestuurder was. [getuige 2] leefde in onmin met de verdachte en zijn echtgenote en de verklaringen van de curator hebben betrekking op gedragingen van de verdachte na de faillietverklaring.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte en zijn partner [medeverdachte] voldoende administratie hebben gevoerd. Zij hadden beiden de intentie om een deugdelijke administratie te voeren en hebben daarom ook registeraccountant [getuige 3] ingeschakeld en [getuige 4] aangenomen om de administratie te voeren.
Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het niet voeren van een deugdelijke administratie de verdachte niet aangerekend kan worden, nu niet hij, maar zijn partner [medeverdachte] , verantwoordelijk was voor de administratie.
Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt dat de afhandeling van het faillissement niet is bemoeilijkt door het niet voeren van een deugdelijke administratie.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het onder parketnummer
01-101257-20 onder feit 2 tenlastegelegde misdrijf van artikel 344a, tweede lid, onder 2 Sr is vereist dat de verdachte kan worden aangemerkt als formeel of feitelijk bestuurder van [rechtspersoon 1] (artikel 348a, eerste lid, Sr). De verplichtingen tot het voeren en bewaren van een complete deugdelijke administratie uit de artikelen 2:10 en 3:15i BW rusten op zowel de formele als de feitelijke bestuurders van de rechtspersoon.
Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 2 januari 2020 is [rechtspersoon 1] op 16 augustus 2016 opgericht met als enig formeel bestuurder de echtgenote van de verdachte, [medeverdachte] . Bij vonnis van de rechtbank
Oost-Brabant d.d. 5 juni 2018 is [rechtspersoon 1] in staat van faillissement verklaard.
Nu uit het dossier niet blijkt dat de verdachte een formele functie had binnen [rechtspersoon 1] , dient het hof de vraag te beantwoorden of op grond van de voorhanden zijnde stukken wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte feitelijk is opgetreden als bestuurder van de rechtspersoon.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de aangifte van curator mr. [curator 2] – formeel belast met de afwikkeling van het faillissement van [rechtspersoon 1] – volgt dat [medeverdachte] tijdens de gesprekken met de curator feitelijk niets wist en dat alle antwoorden werden gegeven door de verdachte. Getuige mr. [curator 1] – degene die als waarnemend curator het faillissement van [rechtspersoon 1] feitelijk heeft afgewikkeld – heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie op 23 januari 2020 verklaard dat de twee gesprekken omtrent de afwikkeling van het faillissement met de verdachte en zijn partner [medeverdachte] samen waren en dat hij uit de gesprekken opmaakte dat [medeverdachte] geen verstand van zaken had. De verdachte was degene die op alle relevante vragen met betrekking tot de onderneming antwoord gaf. Bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris d.d. 11 mei 2022 heeft getuige mr. [curator 1] verklaard dat hem in de gesprekken bleek dat [medeverdachte] er eigenlijk niet veel van af wist en de verdachte in veel gevallen met de antwoorden kwam. [medeverdachte] keek elke keer achterom in de richting van de verdachte om hem aan te geven dat hij haar moest ‘redden’.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 15 januari 2024 volgt dat de verdachte ook toen antwoord gaf op vragen van de voorzitter aan de medeverdachte [medeverdachte] . Daar sprak de verdachte telkens in de “we-vorm”. Zo verklaarde hij onder andere: “Dit keer met [rechtspersoon 1] wilden
wehet goed doen. Daarom hebben
webesloten om [bedrijf] in te schakelen en een interne boekhoudster aan te stellen. (…) In maart hebben
webesloten om de stekker eruit te trekken”.
Bovendien komt uit verklaringen van getuigen het beeld naar voren dat de verdachte als feitelijk bestuurder van de onderneming heeft opgetreden. Getuige [getuige 2] – die jarenlang werkzaamheden heeft verricht voor de ondernemingen van de verdachte en diens partner [medeverdachte] tot augustus 2018 – heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie d.d. 29 januari 2020 verklaard dat er altijd navraag gedaan moest worden bij de verdachte en dat de verdachte de baas was, maar – zo hadden de verdachte en [medeverdachte] hem verteld – de bedrijven niet op zijn naam konden staan omdat hij een uitkering van het UWV genoot vanwege een bedrijfsongeval. De verdachte bepaalde bijvoorbeeld wat er betaald moest worden, stuurde [medeverdachte] aan en onderhield ook alle contacten met bijvoorbeeld de advocaat, boekhouder, groothandel, ontevreden klanten en klanten die nog moesten betalen.
Getuige [getuige 3] , werkzaam als registeraccountant bij [bedrijf] – het accountantskantoor dat door de verdachte en zijn partner [medeverdachte] was ingeschakeld – heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie d.d. 4 februari 2020 verklaard dat het eerste contact tussen [bedrijf] en [rechtspersoon 1] plaatsvond met de verdachte en dat alle contacten daarna plaatsvonden met de verdachte en zijn partner [medeverdachte] . Bij gelegenheid van zijn verhoor door de
rechter-commissaris d.d. 11 mei 2022 heeft [getuige 3] verklaard dat hij het meeste contact had met de verdachte en dat met name de verdachte hem opdracht gaf tot het verrichten van werkzaamheden voor [rechtspersoon 1] .
Getuige [getuige 4] heeft bij gelegenheid van haar verhoor door de
rechter-commissaris op 11 mei 2022 verklaard dat zij door de verdachte is uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. De verdachte schatte haar in als iemand die de werkzaamheden wel zou kunnen en vond haar loon prima. Daarna heeft [getuige 4] kennisgemaakt met de partner van de verdachte. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte ook direct betrokken was bij het aannemen van personeel voor [rechtspersoon 1] .
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode als feitelijk bestuurder van [rechtspersoon 1] heeft opgetreden en zich ten opzichte van derden ook zo heeft gepresenteerd.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat de door of namens de verdachte en [medeverdachte] aan de curator overgelegde administratie – zoals hiervoor overwogen onder het kopje ‘vrijspraak van het onder parketnummer 01-101257-20 onder feit 1 tenlastegelegde’ – de administratie is zoals die onder leiding van de formele bestuurder [medeverdachte] en de verdachte als feitelijk bestuurder door/binnen de B.V. is gevoerd. Door de verdediging is aangevoerd dat een deel van de administratie is achtergebleven bij [getuige 3] van [bedrijf] en – zo begrijpt het hof – impliciet gesuggereerd dat daarmee de gehouden boekhouding wel volledig en juist was. Dit verweer wordt door het hof verworpen, gelet op het e-mailbericht van [getuige 3] d.d. 12 november 2018 (pagina 474 van het UWV-dossier), waaruit volgt dat alle administratie van [rechtspersoon 1] waarover zij beschikten, enkel bestond uit de periodebalans 2016 en de grootboekmutatiekaarten 2016 voor zover die door hen geboekt waren. Bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris d.d.11 mei 2022 heeft [getuige 3] dit bevestigd.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen, te weten het proces-verbaal aangifte curator terzake vermoedelijke faillissementsfraude d.d. 30 augustus 2019 (pagina 106 tot en met 112 van het FIOD-dossier) en het controlerapport van de Belastingdienst inzake een boekenonderzoek invordering bij [rechtspersoon 1] d.d. 8 juli 2019 (pagina 167 tot en met 178 van het FIOD-dossier), blijkt dat de aan de curator afgegeven administratie (ook in aanmerking nemende het voormelde nog bij [bedrijf] aanwezige deel) niet juist en volledig was. Zo ontbrak onder andere een voorraadadministratie en een personeels- c.q. loonadministratie. Dit terwijl, gelet op de verklaring van getuige [getuige 2] en de werkzaamheid van de onderneming (meubelwinkel), wel sprake is geweest van een voorraad. Ook indien de voorraad (deels) in consignatie zou hebben gestaan – zoals door de verdediging is aangevoerd – dient dat uit de voorraadadministratie te blijken. Bovendien blijkt uit de bewijsmiddelen (verklaringen [getuige 2] , [getuige 4] en [getuige 5] ) dat [rechtspersoon 1] gebruik maakte van personeel. Verder bleek de aangeleverde kasadministratie niet juist.
Het hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat, doordat de aangereikte administratie niet deugdelijk (juist en volledig) was, de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt. De curator in het onderhavige faillissement en zijn waarnemend curator hebben dit ook bevestigd. Door het ontbreken van een deugdelijke en volledige administratie is de curator immers gehinderd in zijn opdracht om te onderzoeken wat de oorzaken van het faillissement zijn geweest, of daarmee onrechtmatige/onoorbare handelingen gepaard zijn gegaan en welke activa (bezittingen) hij ten behoeve van welke schuldeisers te gelde kon maken.
Dat de verdachte wist dat het niet voeren van een deugdelijke administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers de afhandeling van het faillissement bemoeilijkt, acht het hof op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen. Het hof verwijst hiervoor onder andere naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 februari 2019 met parketnummer 20-001667-16, waaruit blijkt dat de verdachte reeds op 7 juni 2016 in eerste aanleg door de rechtbank
Oost-Brabant en in hoger beroep door het gerechtshof ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat ze het dit keer met [rechtspersoon 1] goed wilden doen en heeft ook [getuige 3] ze aangesproken dat het boekhoudkundig niet goed zat.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 02-101257-20 onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Inzake het onder parketnummer 82-044092-21 tenlastegelegde
Ter zake van het onder parketnummer 82-044092-21 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vol opzet, maar van voorwaardelijk opzet. De verdachte wist niet wat hij moest aanleveren aan het UWV. De formulieren werden ingevuld door de boekhouder of accountant, en deze heeft de verdachte blindelings ondertekend.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat de verdachte ook ten aanzien van [rechtspersoon 2] kan worden aangemerkt als feitelijk bestuurder en overweegt daartoe als volgt.
[rechtspersoon 2] is blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 11 juni 2018 op 9 april 2018 opgericht. Als enig bestuurder van [rechtspersoon 2] is blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel geregistreerd de partner van de verdachte, [medeverdachte] .
Bij het aangaan van de huurovereenkomst tussen verhuurder [getuige 6] en [rechtspersoon 2] is de B.V. rechtsgeldig vertegenwoordigd door de verdachte. Ook op het opleveringsformulier is de verdachte vermeld als rechtsgeldig vertegenwoordiger en het opleveringsformulier is ook door de verdachte ondertekend. Uit de schriftelijke reactie van verhuurder [getuige 6] op de door het UWV aan hem gestelde vragen volgt dat de verdachte degene was die bij de onderhandelingen met betrekking tot de verhuur van het bedrijfspand het woord voerde en de onderhandelingen deed. Verhuurder [getuige 6] is in de periode van 13 april 2018 tot en met medio augustus 2018 tien tot vijftien keer in de zaak geweest en werd daar altijd te woord gestaan door de verdachte. De verdachte was altijd druk met telefoneren met klanten en hielp ook met het lossen van geleverde goederen en het inrichten van de winkel.
Bovendien volgt uit het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, d.d. 28 november 2018, met betrekking tot het kort geding tussen [getuige 6] als eisende partij en de verdachte, diens partner [medeverdachte] en [rechtspersoon 2] als gedaagde partij, dat door de gedaagde partij uitdrukkelijk is aangegeven dat geen punt wordt gemaakt van wie van de gedaagden als gedaagde partij in de procedure heeft te gelden.
Getuige [getuige 2] , die werkzaamheden heeft verricht voor [rechtspersoon 2] tot augustus 2018, heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie d.d. 29 januari 2020 verklaard dat er altijd navraag gedaan moest worden bij de verdachte. De verdachte bepaalde alles en had alle contacten met bijvoorbeeld de advocaat, de boekhouder, de groothandel en met ontevreden klanten of klanten die nog moesten betalen. Ook gaf de verdachte instructies over de wijze waarop zaken geadministreerd moesten worden.
Tot slot volgt uit een handhavingsonderzoek van het UWV dat op 22 juni 2018 twee medewerkers van het UWV in burger zijn geholpen bij [rechtspersoon 2] door een kleine, oudere, brildragende man met donker/zwart haar. Dit signalement komt overeen met het signalement van de verdachte, en de man werd bovendien door andere medewerkers aangesproken met “ [verdachte] ”. Het hof gaat er derhalve vanuit dat het de verdachte is geweest die de twee medewerkers van het UWV heeft geholpen. De man was zeer behulpzaam, heeft de medewerkers van het UWV uitleg gegeven over meerdere bankstellen en hen koffie aangeboden.
Op 20 oktober 2018 is door een andere medewerker van het UWV een bezoek gebracht aan [rechtspersoon 2] . Ook deze medewerker werd geholpen door een man die zij op basis van een op 22 juni 2018 gemaakte foto van de verdachte, herkende als de verdachte.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte ook binnen [rechtspersoon 2] heeft opgetreden en gefunctioneerd als feitelijk bestuurder.
Het hof sluit voor de verwerping van het verweer en de bewijsoverweging in belangrijke mate verder aan bij hetgeen de rechtbank in het vonnis ten aanzien van het onder parketnummer 82-044092-21 tenlastegelegde – met weglating van de voetnoten – heeft overwogen (pagina 9 en 10 van het vonnis):
De verdachte heeft ter terechtzitting (hof: in eerste aanleg) erkend dat hij voorafgaand aan en gedurende de tenlastegelegde periode een uitkering ontving op basis van de WAZ en een toeslag voor gehuwden ontving op basis van de TW. Desgevraagd heeft verdachte verklaard dat hij niet kan typen en dat ‘een boekhouder’ de aanvragen zou hebben gedaan. Hij heeft zijn handtekening op de stukken wel herkend (hof: ‘lijkt wel op de mijne’), maar lijkt te ontkennen deze zelf te hebben gezet. Dit acht het hof ongeloofwaardig, mede gelet op het feit dat de verdachte zelf geregeld (een verhoging van) uitkeringen/toeslagen heeft aangevraagd, ook vanwege wijziging (verlaging) van inkomsten, en de toekenningsbrieven van het UWV zijn geschreven in reactie daarop. Ook gaf de verdachte aan dat hij begreep dat eventuele inkomsten van invloed zouden kunnen zijn op het recht op uitkering.
Met de rechtbank neemt ook het hof als uitgangspunt dat verdachte sinds 27 april 1997 een uitkering ontving van het UWV. De verdachte is voorafgaand en gedurende de tenlastegelegde periode meermaals herinnerd aan zijn plicht tot het doorgeven van gewijzigde omstandigheden en/of een wijziging in het inkomen aan het UWV. Met betrekking tot de WAZ ging dit – onder andere – om de verplichting om te informeren als de verdachte weer werkzaamheden zou gaan verrichten. Met betrekking tot de TW ging dit – onder andere – om de verplichting om te informeren als het eigen inkomen of dat van de medeverdachte (hof: [medeverdachte] ) zou veranderen. Zo is de verplichting met betrekking tot de WAZ vermeld op het door de verdachte ondertekende aanvraagformulier van 27 april 1998 en de verplichting met betrekking tot de TW op het door verdachte ondertekende formulier van 25 september 1998. Daarnaast werd tot december 2004 door het UWV standaard aan uitkeringsgerechtigden een ‘inlichtingenformulier’ toegezonden. Vanaf 2005 tot april 2013 werden uitkeringsgerechtigden eenmaal per jaar een wijzigingsformulier toegezonden. Tot en met december 2017 werden uitkeringsgerechtigden aan hun meldingsplicht herinnerd middels hun maandelijkse betaalspecificaties.
In het dossier bevinden zich meerdere brieven die de verdachte hebben herinnerd aan zijn verplichtingen als uitkeringsgerechtigde. Verdachte heeft daarnaast op 9 september 2009 in het kader van de door hem ontvangen toeslag een terugvordering en een boete ontvangen, omdat hij deze verplichtingen had geschonden door niet te melden dat zijn echtgenote een eigen onderneming dreef ( [rechtspersoon 3] ). Op 18 december 2009 heeft hij een hoorzitting bijgewoond waarin hij zijn bezwaren tegen deze terugvordering heeft toegelicht (bewijsmiddelen 21-23).
Na afloop van een gevangenisstraf heeft verdachte op 3 mei 2016 een nieuwe toeslag voor gehuwden aangevraagd. De toeslag is per 14 juni 2016 heropend. Op 25 september 2017 (de intentieverklaring van 20 september 2017: bewijsmiddel 25) heeft verdachte opnieuw een toeslag aangevraagd, omdat het gezinsinkomen zou zijn gedaald. Op deze aanvraag heeft verdachte ingevuld dat zijn partner geen inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf heeft. Op 10 oktober 2017 heeft het UWV gereageerd op de hiervoor genoemde aanvraag en is de verdachte gewezen op de informatieplicht (bewijsmiddel 26)
.Ook op 9 november 2017 wist de verdachte klaarblijkelijk weer de weg te vinden naar het UWV om op grond van doorgegeven gewijzigde omstandigheden in aanmerking te komen voor een verhoging van de toeslag. Bij de toekenning daarvan is hij wederom gewezen op zijn informatieverplichtingen (bewijsmiddel 27).
Verdachte is, zoals hiervoor overwogen, meermaals herinnerd aan zijn plichten als uitkerings- en toeslaggerechtigde. Daarnaast is ook bij de aanvragen voor een uitkering en/of de toeslag uitdrukkelijk door verdachte verklaard dat hij en/of zijn medeverdachte
( [medeverdachte] ) geen inkomsten genoten uit zelfstandig beroep en/of bedrijf. Zo heeft verdachte op 20 september 2017 verklaard dat hij, terwijl ten tijde van het ondertekenen van die formulieren door de verdachte [rechtspersoon 1] reeds was opgericht, geen inkomsten uit zelfstandig bedrijf of beroep genoot evenals [medeverdachte] .
Uit het dossier blijkt dat verdachte en [medeverdachte] gedurende de gehele tenlastegelegde periode vele (contant gestorte) bedragen hebben ontvangen op hun persoonlijke bankrekeningen. Naar het oordeel van de rechtbank en het hof kunnen die contante stortingen niet anders worden verklaard dan dat zij afkomstig zijn uit het exploiteren van de ondernemingen. Verdachte en [medeverdachte] hebben hiervan geen melding gedaan.
Ten slotte blijkt ook uit de verklaring van getuige [getuige 2] dat verdachte en [medeverdachte] hem zouden hebben verteld dat de bedrijven niet op naam van de verdachte konden staan, omdat hij een uitkering ontving.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte in de periode waarover hij een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontving, opzettelijk niet heeft gemeld bij het UWV dat hij en/of zijn partner [medeverdachte] werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten als (feitelijk) bestuurder van [rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 2] . Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte activiteiten heeft verricht ten behoeve van een hennepkwekerij, noch dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander heeft gehandeld, zodat de verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 01-101257-20 onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon tijdens het faillissement van de rechtspersoon of voor het faillissement van de rechtspersoon opzettelijk niet voldoen of bewerkstelligen dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.
Het in de zaak met parketnummer 82-044092-21 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming danwel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan faillissementsfraude. De verdachte heeft tezamen en in vereniging met een ander als feitelijk bestuurder van [rechtspersoon 1] niet voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt.
De curator is afhankelijk van een deugdelijke administratie om een overzicht te krijgen van de rechten en plichten van een rechtspersoon en teneinde te kunnen reconstrueren wat de oorzaken zijn geweest van het faillissement en of er voorafgaande aan of tijdens faillissement goederen aan de boedel zijn onttrokken of zich andere onregelmatigheden hebben voorgedaan. In die gevallen had de curator dan via een Actio Pauliana, acties uit onrechtmatige daad of ingevolge de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid ingeval van Faillissement de daardoor ontstane schade voor de schuldeisers proberen te beperken. Zonder een deugdelijke administratie wordt het de curator onmogelijk gemaakt om zijn maatschappelijke rol ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren optimaal te vervullen. Dit veroorzaakt niet alleen financiële schade voor de schuldeisers in het faillissement, maar daarmee wordt ook schade toegebracht aan het vertrouwen dat een goed functionerend handelsverkeer vereist, namelijk dat schulden worden vereffend.
Voorts is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan uitkeringsfraude, door na te laten uitkeringsinstantie UWV de juiste informatie te verschaffen die nodig was om te kunnen beoordelen of de verdachte recht had op een uitkering en/of een toeslag, alsmede voor het bepalen van de hoogte en de duur van die uitkering en/of toeslag. De verdachte heeft, terwijl hij een WAZ-uitkering en een toeslag voor gehuwden genoot, welbewust gedurende een periode van bijna vijf jaren verzwegen dat hij en zijn partner werkzaamheden verrichtten voor en inkomsten genoten uit ondernemingen die op naam stonden van zijn partner. Daaruit is een schade ontstaan van circa 250.000 euro, die van de verdachte door het UWV wordt teruggevorderd. Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstig misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. Uitkeringen en toeslagen zijn bedoeld voor mensen die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Dit stelsel, dat slechts goed kan functioneren als degenen die daarop een beroep doen tijdig overeenkomstig de werkelijkheid opgave doen van hun persoonlijke situatie, gaat uit van solidariteit. De verdachte heeft dat stelsel opzettelijk misbruikt voor zijn eigen financiële gewin. Hij wist het UWV voor het verschaffen van informatie te vinden, als hij daardoor een hogere uitkering kon krijgen. De verdachte houdt zich echter van de domme voor zover het zijn informatieplicht betreft die ertoe zou hebben geleid dat zijn uitkering zou zijn ingetrokken of verlaagd.
Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdediging in dit verband medische stukken overgelegd. Blijkens een brief van de sportarts van 15 augustus 2025 zou de verdachte gaan werken aan de verbetering van zijn conditie en gaan meedoen aan de hartrevalidatie in de hartfalen groep. De internist rapporteert na een controle op 10 september 2025 dat het goed gaat, de verdachte geen zieke indruk maakt en de bloeduitslagen netjes zijn. Daarnaast kampt de verdachte met een bipolaire stoornis, aldus de verdediging. De verdachte ontvangt een AOW-uitkering. Verder is aangevoerd dat de verdachte een ernstig zieke kleinzoon heeft en dat de partner van de verdachte ten behoeve van de mantelzorg die zij voor hem zou verrichten, een persoonsgebonden budget ontvangt. Daartoe zijn stukken overgelegd die zien tot 31 januari 2025. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij in staat is een taakstraf uit te voeren.
Tot slot heeft het hof meegewogen dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden (EVRM).
Elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.
Het hof stelt vast dat de verdachte in deze zaak op 18 februari 2020 voor het eerst als verdachte is gehoord. Het hof neemt dit als aanvangsmoment van de ‘criminal charge’. De rechtbank heeft op 29 januari 2024 vonnis gewezen. Vervolgens is op 2 februari 2024 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 7 januari 2026 – einduitspraak.
Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt derhalve drie jaren en ruim elf maanden. Er is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met één jaar en ruim elf maanden. In hoger beroep is de redelijke termijn niet overschreden.
Het hof acht de door de verdachte begane feiten van een zodanige ernst dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen is. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met een uitkering omdat hij niet zou kunnen werken, jarenlang onbeschaamd misbruik heeft gemaakt van de rechtspersonen waarbinnen hij als feitelijk bestuurder betaalde werkzaamheden verrichtte. Zijn vrouw was de dekmantel naar buiten toe. Niet alleen de regels die de samenleving heeft gesteld aan een eerlijk en betaalbaar uitkeringssysteem voor hen die onvermogend zijn om in hun eigen levensonderhoud te voorzien, heeft de verdachte aan zijn laars gelapt. Zoals gezegd, wist hij deze wel te vinden als het in zijn voordeel was; gaat het om kennis van de regels die in zijn nadeel zijn, dan hield en houdt hij zich van de domme. Ook de regels die gelden voor een verantwoord gebruik van rechtspersoonlijkheid, zoals het houden van een deugdelijke administratie en het bij de KvK inschrijven van personen die daadwerkelijk functioneren als bestuurder, slaat hij in de wind. Ondanks dat hij al door het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 7 juni 2016 in de andere, hiervoor besproken, strafzaak voor soortgelijke misdrijven als die onder parketnummer 01-101257-20 was veroordeeld (al was dat nog niet onherroepelijk), en dus een gewaarschuwd man was, ging hij nadien op dezelfde wijze door met [rechtspersoon 1] en later met [rechtspersoon 2] . Ook ter terechtzitting in hoger beroep neemt hij geen enkele verantwoordelijkheid en wijst hij enkel op zijn gezondheid die abominabel zou zijn, terwijl het bij goed lezen van de overgelegde recente medische brieven minder dramatisch lijkt te zijn dan de verdachte doet voorkomen. Deze impliceren in ieder geval geen detentie-ongeschiktheid.
Zonder de overschrijding van de redelijke termijn zou het hof zijn gekomen tot het opleggen van een gevangenisstraf van 18 maanden onvoorwaardelijk. De oriëntatiepunten voor de Rechterlijke Macht geven bij fraude met een benadelingsbedrag van 250.000 euro al 12 maanden gevangenisstraf aan. Het hof komt derhalve tot een hogere straf dan door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Dit omdat het hof deze eerder opgelegde en gevorderde straffen onvoldoende recht vindt doen aan de hierboven omschreven feiten en omstandigheden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof een gedeelte hiervan voorwaardelijk opleggen en komt het hof tot een straf van 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren.
Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, , 47, 57, 63, 227b en 344a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-101257-20 onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-101257-20 onder feit 2 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 82-044092-21 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. C.M. Hilverda, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. van Kaathoven, griffier,
en op 7 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.