ECLI:NL:GHSHE:2026:97

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
20-002694-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant inzake gewapende woningoverval

Op 16 januari 2026 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De zaak betreft een gewapende woningoverval die plaatsvond op 13 oktober 2023 in Veghel. De verdachte, geboren in 2000 en verblijvende in P.I. Lelystad, was samen met twee medeverdachten betrokken bij de overval, waarbij slachtoffers met een vuurwapen werden bedreigd. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, en een maatregel tot beperking van de vrijheid voor twee jaar. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd om het vonnis te bevestigen, met uitzondering van de beslissingen op de vorderingen tot schadevergoeding. De verdediging heeft vrijspraak bepleit, maar het hof heeft de verklaringen van de medeverdachten en de getuigen als betrouwbaar beoordeeld. Het hof heeft de eerdere veroordeling bevestigd, met inachtneming van de ernst van het feit en het justitiële verleden van de verdachte. De verdachte heeft een leidinggevende rol gehad tijdens de overval en het hof heeft de strafoplegging van de rechtbank in stand gehouden, met een gevangenisstraf van vijf jaar en een maatregel tot beperking van de vrijheid.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002694-24
Uitspraak : 16 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-300597-23 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2000,
thans verblijvende in P.I. Lelystad te Lelystad.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van ‘diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen
personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of die diefstal
gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere
deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het
gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde
personen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (ex art. 38v Wetboek van Strafvordering) voor de duur van 2 jaren opgelegd, die dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank heeft tevens een beslissing genomen op de vijf vorderingen tot schadevergoeding.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
Door de raadsman van de verdachte is primair vrijspraak bepleit en subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts is een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het doen laten opmaken van een deskundigenrapportage over de persoon van de verdachte om te onderzoeken of hij een (licht) verstandelijke beperking zou hebben, alsmede aangeboren problematiek als ADHD, en de invloed daarvan op hetgeen heeft plaatsgevonden.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met verbetering en aanvulling van de gronden waarop dit berust, in zoverre dat het hof de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen zal aanvullen naar aanleiding van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht.
Aanvulling bewijsmiddelen
Het hof is van oordeel dat het tweede door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel, zoals opgenomen onder Bijlage I: de bewijsmiddelen (p. 19-20) van het vonnis, op de volgende wijze aanvulling behoeft:

2.Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 71 van 17 november

2023 (p. 64-77), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de verklaring
van verdachte [medeverdachte 1] :
p. 67:
V: Je hebt de vorige keer niet aan de politie durven te vertellen over de medeverdachten, omdat je bang was voor hen. Tijdens je voorgeleiding, bij de rechter-commissaris, verklaarde je wel over deze personen. Wij willen hier nog wat meer vragen over stellen. Jij noemde de naam [verdachte] . Wie is [verdachte] ?
A: Is de hoofdverdachte. (...)
p. 68:
V: Je noemde ook nog de naam ‘ [medeverdachte 2] ’. Wie is hij?
A: Dat is de medeverdachte.
(...)
V: Wat was [medeverdachte 2] zijn rol bij de woningoverval?
A: Hij stond in de tuin. (...) Hij is niet naar binnen gegaan. (...)
V: Kan jij verder die bivakmuts nog beschrijven?
A: [medeverdachte 2] had een roze en [verdachte] een witte.
p. 68:
V: Hoe weet jij dat het een gehuurde auto was?
A: Dat zei hij. Het meisje was de bestuurder. Zij stond zeg maar aan de andere kant op ons te wachten om weer weg te rijden.
p. 69:
A: (...) En toen (...) ben ik in de keuken gaan staan. En toen had [verdachte] wapen gericht op zoontje en die moeder (...) is uiteindelijk naar boven gelopen om kluis te pakken (...).
V: Vertel eens, in je eigen woorden, hoe de woningoverval gegaan is?
A: Ik ging naar de deurbel. Hij stond rechts in zo'n steegje.
A: Eerst liep er een jongen uit de achterpoort. Toen had [verdachte] een wapen op jongen gehouden en die zei van: als je gewoon doet wat we zeggen gaat er niks gebeuren. Hij hield die jongen met wapen tegen zijn hoofd aan en toen liep hij achtertuin in. (...) [verdachte] is als eerste naar binnen gegaan. (...)
V: Wie had [verdachte] nou wapen gericht?
A: Op dat zoontje.
(...)
V: Ja maar toen in de woning. Wat heb jij gedaan? Heb jij ermee gedreigd (opmerking rechtbank: uit het verhoor blijkt dat het hier om een mes gaat).
A: Nee. Ik had ‘m de hele tijd zo vast naar mij toe.
O: Verdachte toont met een pen hoe hij het mes vasthield. Hij houdt hierbij de pen tegen zijn lichaam aan.
V: Want [verdachte] had het wapen vast. Had hij ook al die bivakmuts op toen?
A: Ja, wit. (...)
V: Waarom had jij geen bivakmuts?
A: Hij zei dat ik moest aanbellen en daarom dat ik geen bivakmuts op moest doen want dan zouden ze weten dat we gaan inbreken.
V: Hoor ik jou zeggen dat [verdachte] naar boven ging.
A. Nee, die mama. Die ging die kluis halen.
V: Want daar vroeg [verdachte] ook om?
A: Ja.
V: Aangever verklaarde dat jullie hierna op de vlucht sloegen en dat behalve de kluis ook zijn telefoon, een iPhone, werd meegenomen. Wie had die iPhone meegenomen?
A: [verdachte] .
(...)
V: En waar was die kluis toen jullie gedropt werden?
A: In de auto.
p. 70:
V: Ik hoorde jou in het begin zeggen dat er een meisje in de auto zat. Wie was dat?
A: Een Albanees meisje, meer weet ik ook niet.
p. 71:
V: De kluis is gepakt. En dan... Hoe rennen jullie weg? Wat was het plan?
A: Dat meisje zou klaar staan. Met kofferbak kant naar garagedeuren.
Het hof is tevens van oordeel dat het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgenomen onder Bijlage I: de bewijsmiddelen (p. 19-30) van het vonnis, op de volgende wijze aanvulling behoeft:

17.Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 78 van 16 januari 2024

(p. 221-222), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de verklaring
van getuige [getuige] :
Op vrijdagavond 13 oktober 2023 kwam ik rond 23.30 uur bij mijn flat aan. Ik woon op de 5e verdieping van [adres 3] . Ik zag een zwarte auto, een SUV/station, raar geparkeerd staan. Ik heb niet op het kenteken of merk gelet want ik was meer bezig om te kijken hoe ik om de auto heen moest om de ingang van de flat in te gaan. Ik had namelijk geen goed gevoel over die auto. Ik zag dat de bestuurster een hoofddoek op had. Ik nam aan dat het een vrouw was. De auto stond met koplampen richting [adres 4] en met de voorwielen half op de stoep en met de achterwielen op straat.
18.
Een proces-verbaal van bevindingen betreft auto op camerabeelden met nummer PL2100-2023226749-179 van 1 maart 2024 (p. 283-288), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op de camerabeelden van [adres 2] zag ik dat er een personenauto, groter model en donker van kleur aan kwam rijden over de [adres 5] . Hij kwam uit de richting van de [adres 6] en reed richting de rotonde op de [adres 7] . De weergegeven datum in beeld betrof 14 oktober 2023 en de weergegeven tijd betrof 00:03:53 uur.
Aanvulling van de bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen die de rechtbank als bijlage bij het vonnis heeft opgenomen, in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank:
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 13 oktober 2023 laat in de avond heeft een woningoverval plaatsgevonden in Veghel, waarbij meerdere personen zijn bedreigd met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp (hierna: vuurwapen) en waarbij een kluisje met geld en een mobiele telefoon zijn weggenomen.
Op het moment van de overval was [benadeelde 1] , bewoner van de woning, in de schuur bij de woning aan het chillen met zijn vrienden [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] . In de woning was mevrouw [benadeelde 5] , zijnde de moeder van [benadeelde 1] , aanwezig. De woningoverval is gepleegd door drie personen, te weten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [verdachte] en [medeverdachte 2] hadden allebei een bivakmuts op, [medeverdachte 1] enkel een pet.
[verdachte] was in het bezit van het vuurwapen. Hiermee heeft hij eerst in de brandgang achter de woning [benadeelde 3] bedreigd. Terwijl [benadeelde 3] onder schot werd gehouden, zei [verdachte] dat hij rustig naar binnen (de tuin) moest lopen en moest doen alsof er niets aan de hand was. In de tuin richtte [verdachte] het vuurwapen op [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 1] . Hij liep vervolgens naar [benadeelde 1] toe, zette het vuurwapen tegen zijn hoofd en pakte hem bij zijn kraag. [benadeelde 1] moest met [verdachte] en [medeverdachte 1] mee de woning in lopen. Op enig moment is hierbij de mobiele telefoon van [benadeelde 1] afgenomen.
[medeverdachte 2] bleef buiten in de tuin bij [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en droeg hen op om naar beneden te kijken en hun mond te houden, omdat hij anders zou schieten.
In de woning was de moeder van [benadeelde 1] aanwezig. Zij heeft in opdracht van [verdachte] een kluisje van de zolder gehaald. Dit kluisje werd vervolgens uit haar handen gerukt en meegenomen door [verdachte] en [medeverdachte 1] . Voordat de moeder van [benadeelde 1] boven de kluis ging halen, zei [verdachte] dat het leven van haar zoon op het spel stond terwijl [benadeelde 1] door hem onder schot werd gehouden. [medeverdachte 1] heeft in de woning op enig moment een mes, afkomstig uit het keukenblok, in zijn hand gehad en heeft dit zichtbaar voor [benadeelde 1] en zijn moeder vastgehouden. [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn met de buit de woning uitgerend. Eenmaal buiten is [medeverdachte 2] bij hen aangesloten en zijn ze vertrokken.
Medeplegen
Gelet op de bewijsmiddelen is sprake van een gezamenlijke uitvoering, waarbij elke
verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd. Er is dus sprake van
medeplegen.
Verweren [verdachte]
verklaart dat hij niet één van de daders is geweest. Hij zou enkel [medeverdachte 1] naar de plaats van het delict hebben gebracht en vooraf niet precies hebben geweten wat de plannen waren. De rechtbank hecht geen geloof aan deze verklaring. [medeverdachte 1] heeft heel duidelijk en consistent verklaard over de rol van [verdachte] , [medeverdachte 2] en hemzelf. Deze verklaring vindt steun in de verklaringen van de slachtoffers en de verklaring van [medeverdachte 2] over de gang van zaken tijdens de overval. Dat [verdachte] op de plaats van het delict is geweest wordt verder ondersteund door de onderzoeksresultaten met betrekking tot zijn telefoon.
Tegenover de duidelijke verklaring van [medeverdachte 1] , waarin hij zichzelf ook behoorlijk belast, staat de op het dossier afgestemde, vage, inconsistente en niet verifieerbare verklaring van [verdachte] waarin hij zijn eigen aandeel zo klein mogelijk probeert te maken.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen (als medeplegers) de woningoverval hebben gepleegd.
Ter aanvulling op het bovenstaande zal het hof ingaan op het verweer dat door de raadsman van de verdachte in hoger beroep is gevoerd.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat, naast de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] , er geen bewijs is dat verdachte de gewapende overval mede heeft gepleegd. De verdachte heeft verklaard als chauffeur te hebben opgetreden voor de overvallers, hetgeen ook de mastgegevens van zijn mobiele telefoon zou verklaren. De belgegevens van de verdachte ten tijde van de overval geven bovendien weer dat verdachte tijdens de overval aan het bellen was. Aangezien geen van de getuigen heeft verklaard dat de man met de witte bivakmuts tijdens de overval aan het bellen was, zou dit er op wijzen dat dit de verdachte niet was en dat hij niet in de woning was tijdens de overval.
Het hof overweegt als volgt.
Allereerst stelt het hof vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] uitgebreid heeft verklaard over de rol van de verdachte tijdens de overval. Hij heeft in zijn verhoren en tijdens de terechtzittingen consistent verklaard en heeft ook verklaard over zijn eigen bijdrage tijdens de overval. Daarnaast wordt de verklaring van [medeverdachte 1] ondersteund door de andere bewijsmiddelen, zoals de getuigenverklaringen van de aangevers en de medeverdachte [medeverdachte 2] .
Opvallend is ook dat medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard over een meisje dat betrokken zou zijn bij de overval. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat dit een Albanees meisje betrof die als chauffeur zou hebben gefungeerd. Dit komt overeen met de getuigenverklaring van getuige [getuige] die kort voorafgaand aan de tijd van de overval een zwarte auto, een SUV/station auto raar geparkeerd heeft zien staan in de buurt van de woning waar de overval uiteindelijk heeft plaatsgevonden. Het uiterlijk van deze auto komt overeen met de vermoedelijke vluchtauto die op camerabeelden na de overval is te zien. Ook [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de auto een zwarte SUV was. Volgens [getuige] had de bestuurster een hoofddoek op en nam zij aan dat het een vrouw was. De verklaring van [medeverdachte 1] wordt op deze wijze door details en andere getuigenverklaringen bevestigd. Bovendien is de aanwezigheid van een vrouwelijke chauffeur die kennelijk na de overval op de overvallers stond te wachten strijdig met de bewering van de verdachte dat hij de chauffeur was.
Concluderend, het hof acht, in lijn met hetgeen is overwogen door de rechtbank, de verklaringen van [medeverdachte 1] betrouwbaar. De verklaringen van [medeverdachte 1] worden ook ondersteund in het overige bewijsmateriaal, waaronder de verklaringen van aangevers en de medeverdachte. Er is voldoende steunbewijs naast de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] om te kunnen komen tot een veroordeling.
Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat de verdachte niet ten tijde van de overval in de woning kon zijn omdat uit zijn telefoongegevens blijkt dat hij op dat moment aan het bellen was terwijl geen van de getuigen verklaren dat een van de overvallers aan het bellen was, overweegt het hof het volgende.
Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het uitkijken van de ringdeurbel (dossierpagina’s 264-276) volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] voorafgaand aan de overval eerst heeft aangebeld en uiteindelijk om 23:48:23 uit beeld loopt. Tevens hebben aangevers [benadeelde 3] en [benadeelde 4] verklaard dat zij op enig moment een telefoon hebben zien oplichten die een tijd aangaf van 23:58 uur. En hoewel het hof niet exact kan vaststellen vanaf wanneer tot wanneer de overvallers in de woning en de tuin zijn geweest, gaat het hof ervan uit dat dit in ieder geval tussen ongeveer 23:49 uur en 23:58 uur is geweest.
Uit het proces-verbaal van bevindingen betreffende PVB ANA.TEL.Apple Iphone 14 [naam 2] (dossierpagina’s 307-311) blijkt dat de telefoon van de verdachte rond de tijd van de overval verschillende telefonische contacten heeft gehad.
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat de verdachte op 13 april 2023 om 23:55:47 een uitgaand gesprek zou hebben gevoerd met “ [medeverdachte 2] ” voor de duur van 1 minuut en 48 seconden. Vervolgens heeft verdachte om 23.59:16 een telefoontje afgewezen van “ [naam 1] ” en vervolgens om 23.59:31 uur een telefoongesprek van 25 seconden met [naam 1] gehad.
De raadsman heeft betoogd dat het voeren van een telefoongesprek gedurende de overval duidt op een rol als chauffeur zoals verdachte heeft verklaard. Bovendien heeft geen van de getuigen gezien dat een van de overvallers zou hebben gebeld tijdens de overval. De bevindingen steunen dan ook de verklaring van verdachte dat hij niet de overvaller in het huis zou zijn geweest, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt dit verweer van de raadsman. Het hof constateert daarbij dat het bewuste telefoongesprek van 23:55:47 gevoerd zou zijn met “ [medeverdachte 2] ” en telefoonnummer [telefoonnummer] . Medeverdachte [medeverdachte 2] , de overvaller die in de tuin bleef terwijl zijn mededaders de woning in gingen, heeft verklaard dat dit nummer bij hem in gebruik was (dossierpagina 150). Ook ten aanzien van de medeverdachte heeft geen van de getuigen verklaard dat hij gedurende de overval een telefoongesprek voerde. Dat geen van de getuigen zulks heeft verklaard, betekent dus niet (en zeker niet zonder meer) dat een dergelijk gesprek ook niet heeft plaatsgevonden. Het is niet ondenkbaar dat de getuigen zich dat niet hebben herinnerd. Bovendien is een scenario, waarin de ene overvaller de woning in gaat en daarbij een open telefoonlijn aanhoudt om indien nodig te kunnen communiceren met zijn mededader die in de tuin blijft, ook zeer wel mogelijk. In een dergelijk geval is het niet onbegrijpelijk dat de telefonische verbinding door getuigen niet wordt geconstateerd.
Voor wat betreft het gesprek om 23:59:31 uur met [naam 1] geldt dat het goed mogelijk is dat dit gesprek precies is gevoerd op het moment dat verdachte op weg was naar de auto na afloop van de overval.
Het hof concludeert dan ook dat de geconstateerde telefonische verbindingen van verdachte rondom het tijdstip van de overval niet tot de conclusie nopen dat het niet zo kan zijn dat hij een van de overvallers is geweest. Het hof verwerpt daarom, als gezegd, het verweer.
Gezien hetgeen is overwogen is het hof van oordeel dat het tenlastegelegde medeplegen van een gewapende overval, op grond van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan om onderzoek te laten doen naar de psychische gesteldheid van de verdachte en de belastbaarheid van de verdachte. Dit verzoek heeft de raadsman tevens in een eerder stadium van het onderzoek gedaan, waarna er een beslissing op is genomen bij voorzittersbeslissing van 26 mei 2025, alsmede tijdens de pro forma behandeling van 3 juni 2025. Het verzoek tot nader onderzoek is toen afgewezen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit onderzoek niet noodzakelijk is omdat er voldoende bekend zou zijn over de persoon van de verdachte. De advocaat-generaal heeft hierbij verwezen naar rapportages van de reclassering en een NIFP-rapportage van 21 augustus 2018.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft kennis genomen van de reclasseringsrapporten van 21 mei 2021, 27 augustus 2024 en 16 april 2025. Voorts heeft het hof kennisgenomen van de eerdere NIFP-rapportage van 21 augustus 2018, welke is opgemaakt in het kader van een andere strafzaak.
In het reclasseringsrapport uit 2021 wordt opgemerkt dat verdachte onvoldoende overzicht en inzicht heeft in de problemen die er spelen en welke gevolgen die kunnen hebben. Het lukt hem niet zelf bepaalde plannen te organiseren of te realiseren. Er is sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel, waardoor hij op bepaalde gebieden moeite heeft.
In het NIFP rapport uit 2018 wordt voorts gesproken over een normoverschrijdende gedragsstoornis met beperkte prosociale emoties.
Hoewel deze conclusies allen gedateerd zijn, wil het hof deze zonder meer overnemen en zal het deze meewegen in de bepaling van de strafoplegging.
Het hof acht zich gezien bovenstaande rapportages voldoende ingelicht over de persoon van de verdachte en zijn psychische gesteldheid. Er is derhalve geen noodzaak voor het doen laten verrichten van aanvullende onderzoek. Daarbij neemt het hof in overweging dat de genoemde conclusies uit 2021 toen geen aanleiding gaven tot toepassing van het jeugdstrafrecht. Integendeel, de reclassering concludeert in dat rapport dat verdachte niet meer gevoelig lijkt voor een pedagogische aanpak. Die conclusie van toen is in lijn met de conclusie van de reclassering in 2024 die spreekt van een pro-criminele houding en interventies en toezicht niet nodig acht omdat dit geen effect zal hebben op vermindering van de kans op recidive. Daar komt nog bij dat uit het reclasseringsrapport van 16 april 2025 volgt dat betrokkene wordt aangemeld bij de psycholoog voor een risicoscreener en dat er zo nodig dan interventies worden ingezet. Van de zijde van de verdachte is tijdens de behandeling in hoger beroep evenwel niets naar voren gebracht dat erop duidt dat een en ander aanleiding heeft gegeven tot aanvullende interventies.
Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de raadsman om deze reden af.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De raadsman heeft verzocht om, bij een eventuele veroordeling, een lagere straf op te leggen dan de rechtbank. De verdachte komt met de straf van het vonnis in eerste aanleg volgend jaar in aanmerking voor voorlopige invrijheidstelling. De raadsman heeft verzocht om hiermee bij de strafoplegging rekening te houden en in ieder geval geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zodat de verdachte niet meer in aanmerking komt voor voorlopige invrijheidsstelling.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval. Het bewezenverklaarde is een zeer ernstig feit. Het hof acht het aannemelijk dat de verdachte een leidinggevende rol heeft gehad bij de overval, dat hij degene was die de aangevers heeft bedreigd met een vuurwapen en derhalve het meest dreigend heeft gehandeld. Daarnaast weegt het hof mee dat de gewapende overval in de nachtelijke uren heeft plaatsgevonden en dat de verdachte tijdens de overval was vermomd met een bivakmuts.
Met zijn handelen heeft verdachte laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen en privacy. Daarnaast heeft hij de slachtoffers angst aangejaagd en hun gevoel van veiligheid en vertrouwen aangetast. Uit de toelichting op de vorderingen benadeelde partij en de op zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt welk leed de slachtoffers is aangedaan en welke gevolgen zij nog altijd ondervinden. Het hof rekent de verdachte dit zeer aan.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 oktober 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat uit voornoemd uittreksel volgt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Tot slot heeft het hof bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Specifiek wijst het hof daarbij op de hiervoor besproken rapporten van de reclassering en het NIFP. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij het zwaar heeft in detentie. Hij zou graag vrij willen komen, hij wil stoppen met de criminaliteit en als zzp’er aan de slag als schilder. In detentie heeft hij zijn diploma gehaald voor schilder en hij volgt nu de cursus tot schoonmaker. Hij heeft een relatie en zou, indien hij zou worden vrijgelaten, eerst bij zijn moeder kunnen wonen.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat de strafoplegging van de rechtbank in stand kan blijven, te weten een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Tevens zal de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (ex art. 38v Wetboek van Strafvordering) in stand blijven, voor de duur van twee jaren, dadelijk uitvoerbaar. De maatregel wordt opgelegd gezien de ernst van het feit en de justitiële documentatie van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Gelet op de inschatting van de reclassering moet er ernstig rekening mee worden gehouden
dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt. Daarom zal het hof de dadelijke
uitvoerbaarheid van de 38v-maatregel in stand houden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 38v, 38w, 47, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) jaren.
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren. Een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren, inhoudende dat veroordeelde wordt bevolen:
1. zich te onthouden van direct of indirect contact met de slachtoffers:
- [benadeelde 1] (geboren op [geboortedag 2] 2002);
- [benadeelde 5] (geboren op [geboortedag 3] 1967);
- [benadeelde 3] (geboren op [geboortedag 4] 2006);
- [benadeelde 4] (geboren op [geboortedag 5] 2005);
- [benadeelde 2] (geboren op [geboortedag 6] 2004).
2. zich niet op te houden in de [adres 4] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. Beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Aldus gewezen door:
mr. N. van der Laan, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. A.C. Van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. Vogelvang, griffier,
en op 16 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Van der Laan voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.