[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
thans verblijvende in [detentieplaats] .
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit, de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, die telkens gekwalificeerd als ‘Verkrachting, meermalen gepleegd’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts is de terbeschikkingstelling (
hierna: tbs) van de verdachte met verpleging van overheidswege gelast.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte is veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt ter hoogte van € 472,00.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is toegewezen tot een bedrag van € 8.011,25, bestaande uit € 511,25 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten, tot dan toe begroot op nihil. Ten behoeve van de slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Tot slot is de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de proceskosten, tot dan toe begroot op nihil.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en dat het hof het vonnis voor het overige zal bevestigen, met aanvulling van gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf en de vorderingen van de benadeelde partijen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof aan de verdachte de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege zal opleggen. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat het hof aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.488,85, bestaande uit € 488,85 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.
Ten behoeve van de slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft de advocaat-generaal tot slot de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit en dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.
Voorts heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. De verdediging heeft in dit kader ook bepleit dat het hof zal afzien van het gelasten van de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege en zal volstaan met het gelasten van de maatregel van tbs met voorwaarden.
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat in het geval van zowel [benadeelde 1] , zo het hof daarvoor niet tot een vrijspraak komt, als [benadeelde 2] een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade dient te worden toegekend en dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering. Voor het overige sluit de verdediging zich aan bij het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder 3 tenlastegelegde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dit tegen deze vrijspraak is gericht.
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat hij:
1.
op of omstreeks 10 mei 2018 te [woonplaats verdachte] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde 1] meermalen heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, bestaande uit of mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 1] , immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal,- zijn penis in de vagina en/of anus van die [benadeelde 1] geduwd/gebracht en/of- zijn vingers in de vagina van die [benadeelde 1] gebrachten bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte- een fysiek overwicht op die [benadeelde 1] heeft gehad en/of- die [benadeelde 1] angst heeft ingeboezemd door haar te zeggen dat hij een mes zou gaan halen en/of haar bij haar keel en/of kaak vast te pakken en/of daarbij op te merken dat die [benadeelde 1] naar hem moest luisteren en/of die [benadeelde 1] op haar herhaalde vraag of zij zijn woning mocht verlaten, te antwoorden dat zij niet weg mocht en/of dat zij het eerst leuk moest gaan vinden, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of- die [benadeelde 1] met kracht haar arm op haar rug heeft geklemd en/of op die [benadeelde 1] is gaan zitten en/of-(met kracht) zijn penis in de vagina van die [benadeelde 1] heeft geduwd/gebracht en/of vervolgens met kracht heen en weer heeft bewogen en/ofaldus voor die [benadeelde 1] een ongelijkwaardige en/of bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan of waardoor die [benadeelde 1] zich niet kon verzetten tegen en/of kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen;
2.
op of omstreeks 21 mei 2019 te [woonplaats verdachte] door geweld of een andere feitelijkheid en/ofbedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, bestaande uit of mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 2] , immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal,- zijn penis in de vagina en/of anus van die [benadeelde 2] geduwd/gebracht
en bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte- een fysiek overwicht op die [benadeelde 2] heeft gehad en/of- die [benadeelde 2] angst heeft ingeboezemd door met zijn vuist op het kussen naast het hoofd van die [benadeelde 2] te slaan en/of die [benadeelde 2] heeft belet om het bed (in verdachtesslaapkamer) te verlaten door zijn armen om haar nek en/of haar middel te houden, althans haar vast te houden en/of zijn benen over/om haar heen te klemmen en haar daarbij meermalen te zeggen dat zij niet weg mocht, en/of-(met kracht) zijn penis in de vagina en/of anus van die [benadeelde 2] heeft geduwd/gebracht en/of vervolgens met kracht heen en weer heeft bewogen en/of aldus voor die [benadeelde 2] een ongelijkwaardige en/of bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan of waardoor die [benadeelde 2] zich niet kon verzetten tegen en/of kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten en/of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
1.
op 10 mei 2018 te [woonplaats verdachte] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde 1] meermalen heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 1] , immers heeft verdachte- meermalen zijn penis in de vagina van die [benadeelde 1] geduwd en- eenmaal zijn vingers in de vagina van die [benadeelde 1] gebrachten bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte- een fysiek overwicht op die [benadeelde 1] heeft gehad en/of- die [benadeelde 1] angst heeft ingeboezemd door haar te zeggen dat hij een mes zou gaan halen en/of haar bij haar keel en kaak vast te pakken en daarbij op te merken dat die [benadeelde 1] naar hem moest luisteren en die [benadeelde 1] op haar herhaalde vraag of zij zijn woning mocht verlaten, te antwoorden dat zij niet weg mocht en dat zij het leuk moest gaan vinden, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of- die [benadeelde 1] met kracht haar arm op haar rug heeft geklemd en/of op die [benadeelde 1] is gaan zitten en/of- met kracht zijn penis in de vagina van die [benadeelde 1] heeft geduwd en/ofaldus voor die [benadeelde 1] een ongelijkwaardige en bedreigende situatie heeft doen ontstaan waardoor die [benadeelde 1] zich niet kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen;
2.
op 21 mei 2019 te [woonplaats verdachte] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen, bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 2] , immers heeft verdachte meermalen- zijn penis in de anus van die [benadeelde 2] geduwden bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte- een fysiek overwicht op die [benadeelde 2] heeft gehad en/of- die [benadeelde 2] angst heeft ingeboezemd door met zijn vuist op het kussen naast het hoofd van die [benadeelde 2] te slaan en die [benadeelde 2] heeft belet om het bed te verlaten door zijn armen om haar nek en haar middel te houden, en zijn benen om haar heen te klemmen en haar daarbij meermalen te zeggen dat zij niet weg mocht en/of- met kracht zijn penis in de anus van die [benadeelde 2] geduwd en vervolgens met kracht heen en weer heeft bewogen en/ofaldus voor die [benadeelde 2] een ongelijkwaardige en bedreigende situatie heeft doen ontstaan waardoor die [benadeelde 2] zich niet kon onttrekken aan eerdergenoemde seksuele handelingen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Eenheid Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Recherche, registratienummer PL2000-2019117359 (onderzoek ZBRBC18074 – Aliveri), gesloten d.d. 11 oktober 2019, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent (gecertificeerd zedenrechercheur) van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 1660). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 21 mei 2018, dossierpagina’s 1292-1298, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 1] :
p. 1293Op 9 mei 2018 had ik met [verdachte] afgesproken. Ik kwam om 19.52 uur in [woonplaats verdachte] aan. We zijn samen naar zijn woning gegaan in [woonplaats verdachte] . Daar hebben we seks gehad. Na de seks bloedde ik en ik had daar een beetje pijn van. De volgende ochtend (
het hof begrijpt: 10 mei 2018) wilde hij weer seks. Ik wilde niet, omdat het pijn deed. Hij zette door en hij begon agressief te worden. Hij zei dat hij voelde als een vrouw hem niet wil en dat hij wilde dat ik moest laten zien dat ik hem wel wilde. Hij zei dat ik mijn best niet deed en dat ik lui was. Hij zei dat ik beter mijn best moest doen. Ik zei tegen hem dat het niet normaal was wat hij deed en dat ik het niet wilde. Hij pakte mijn rechterarm vast en draaide die om. Hierdoor kwam ik op het bed terecht en raakten we in gevecht. Het gevecht wat ontstond heb ik toen verloren en zo heeft hij mij de eerste keer verkracht.
Na de verkrachting sleepte hij mij mee naar het balkon. Ik was helemaal naakt en hij deed een bruin kleed, wat op de bank lag, om mij heen. Op het balkon zaten we op een bank. Op een gegeven moment ging hij met zijn handen tussen mijn benen. Ik hielde mijn benen dicht tegen elkaar, maar hij ging op een gegeven moment toch met zijn vingers bij mij naar binnen. Dat deed heel veel pijn. Ik zei dat ik het niet fijn vond. Toen tilde hij mij op en liep met mij richting de slaapkamer. In de slaapkamer gooide hij mij op bed en daar begon een groter gevecht dan de eerste keer. Hij pakte me bij mijn nek en bij mijn arm. Hij klemde mijn arm achter mijn rug. Vervolgens draaide hij mij om en ging hij op mij zitten. Ik probeerde van zijn bed te glippen. Hij pakte toen mijn benen en trok mij terug op het bed. Ik hield mijn benen bij elkaar en gilde. Hij zei: “Als je niet stopt met gillen…”. Toen werd ik voor de tweede keer verkracht. Tijdens de verkrachting was ik heel erg aan het huilen en aan het huilen, maar hij ging maar door. Op een gegeven moment was het klaar en wilde ik weg. Toen ik zei dat ik weg ging, zei hij: “jij gaat niet weg, je verpest heel mijn dag”.
Daarna pakte hij mij weer vast en trok mij weer naar de slaapkamer. Hij zei tegen mij: “Vind jij het normaal dat je mij zo’n gevoel geeft door te zeggen dat je niet wil”. Ik zei dat ik naar huis wilde en dat dit niet normaal was. Hij gooide mij weer op bed en pakte met zijn hand mijn keel en kaak vast. Hij zei: “Je gaat naar mij luisteren, je gaat het leuk vinden.” Elke keer als ik zei dat ik naar huis ging, pakte hij mij bij mijn keel en pakte hij met zijn hand de onderkant van mijn kin. Hij zei dat ik moest stoppen met huilen, maar dat lukte niet.
De volgende ochtend heeft hij mij naar het station gebracht. Ik had de trein van 09.08 uur.
Toen ik 10 minuten in de trein zat en zeker wist dat ik [woonplaats verdachte] had verlaten, heb ik mijn vriendin, [getuige 1] , geappt en verteld wat er was gebeurd. Toen ik op [woonplaats benadeelde 1] aankwam, heb ik de politie gebeld.
p. 1295-1296De eerste keer heeft hij mij verkracht na een gevecht dat ik verloor. Hij was sterker dan ik.
Ik probeerde hem van mij af te duwen en ik probeerde onder hem weg te bewegen, maar dat lukte niet. Die eerste en de tweede keer heeft er penetratie plaatsgevonden met zijn penis in mijn vagina. Tijdens de eerste verkrachting lag ik op mijn rug met mijn benen omhoog. Hij stapte van mij af. Hij pakte mijn hand en toen liepen we naar het balkon. Toen hij mij optilde om verder te gaan in bed, zei hij tegen mij: “Ik ga nu een mes halen”. Toen was ik doodsbang. Ik dacht echt dat hij dat zou doen. Ik dacht echt dat ik niet levend uit zijn woning weg zou komen.
2.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 mei 2018, dossierpagina’s 1302-1308, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
Op vrijdagochtend 11 mei 2018 kreeg ik via WhatsApp een berichtje van [benadeelde 1] (
het hof begrijpt: aangeefster [benadeelde 1]), waarin stond wat er was gebeurd. Toen ze het berichtje naar mij stuurde, zat ze in de trein. In de app van [benadeelde 1] stond dat hij haar had gedwongen om seks te hebben, terwijl ze pijn had. Hij heeft haar tot twee keer toe verkracht. Later die vrijdagmiddag rond 14.00 uur was ik bij haar en ik zag dat zij [benadeelde 1] niet was. Het leek wel of ze een soort waas over zich heen had. Ik zag gelijk dat het niet goed ging. Ik ken haar 5 jaar, dus ik zie wel aan [benadeelde 1] hoe het met haar gaat. [benadeelde 1] had tegen hem gezegd dat wat hij deed niet mocht. Ze had al seks gehad met die jongen en dat had pijn gedaan. Daarna wilde die jongen weer seks, maar deed het al zeer bij haar.
De WhatsApp gesprekken tussen [benadeelde 1] en mij, waarin zij vertelde wat er was gebeurd, heb ik naar u gemaild. Deze kunnen aan mijn verklaring worden toegevoegd.
Op 11 mei 2018 heeft aangeefster [benadeelde 1] de volgende WhatsApp berichten gestuurd naar
getuige [getuige 1] :
09.34 uur:
“ [getuige 1] het was heel erg met hem. Ik wil dat niemand het weet. Beloof me alsjeblieft dat je dit nooit verteld”
09.35 uur:
“Midden in de nacht wilde hij weer sex en het deed pijn en ik wilde niet meer. Toen werd hij boos heel boos. donderdagochtend ging de boosheid verder en ik wilde echt geen sex meer.”
9.36
“Toen gooide hij mij op bed draaide me arm om. Ik heb zo gevochten maar ik kon niet winnen.”
9.37
‘Hij heeft me twee keer verkracht. En ik mocht niet naar huis. Hij heeft me nu net vrijgelaten en zit in de trein naar [woonplaats benadeelde 1] .”
9.39
[huilende emoji]
3.
Het proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 13 januari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
Ik kan mij herinneren dat [benadeelde 1] vertelde dat ze in een stad die niet [woonplaats benadeelde 1] was een date had. Zij is daar naar toe gegaan.
Daarna weet ik dat zij mij belde of had geappt. En dat zij helemaal overstuur was en dat ik direct naar haar huis moest komen. Ze vertelde dat de date verkeerd was gelopen. Wat ik specifiek weet is dat hij haar tegen haar zin had gehouden in huis. Er waren dingen gebeurd die zij niet wilde. U vraagt mij of zij die intieme handelingen niet wilde. Ja, het was tegen haar wil in.
U vraagt mij of ik meer kan vertellen over het moment dat ik [benadeelde 1] thuis trof. Ze was overstuur, ik zag het aan haar gezicht. Ze was heel timide. Ze bleef op het hoekje van de bank zitten. Ze was zeer aangedaan. De tranen bleven lopen. Ze kwam moeilijk uit haar woorden, terwijl zij goed kan praten. Het was een hele andere [benadeelde 1] . Ze was iets kalmer toen ik wegging, maar ze was nog steeds heel erg bang. Dat heeft ze verteld en ik zag dat aan haar.
Iedereen is weleens verdrietig, maar ik zag wel echt de paniek, de verschrokkenheid en de angst. Alles zag je in haar gezicht. Ik heb haar nog nooit zo eerder gezien.
4.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 21 juli 2020, voor zover inhoudende als verklaring van de [verdachte] :
Ik heb bij meerdere gelegenheden seks gehad met [benadeelde 1] .
5.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 september 2025, voor zover inhoudende:
U, voorzitter, vraagt mij of het klopt dat [benadeelde 1] op het balkon heeft gezeten met alleen een deken om zich heen. Zij heeft met alleen een deken om zich heen op het balkon gezeten, dat klopt.
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 mei 2019, dossierpagina’s 1445-1453, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 2] :
p. 1446-1448Ik kom aangifte doen tegen [verdachte] . Ik ben op 21 mei 2019 omstreeks 19:00 uur voor de tweede keer die dag naar het appartement van [verdachte] in [woonplaats verdachte] gegaan.
p. 1449Rond 20.45/21.00 uur gaf aan dat ik zo zou gaan. Hij wilde nog chillen in de andere kamer.
Ik ben samen met hem in bed gekropen. Het ging toen snel over naar seks. Bij mijn vagina was het gevoelig omdat hij ruiger was in de seks. Ik gaf aan dat het pijn deed. Hij wilde graag anaal. Hij bracht zijn penis bij mijn anus. Ik gaf aan dat ik dit niet wilde. Hij ging toch geforceerd door, ik stribbelde tegen en zei dat ik dit niet wilde. Hij vond dat ik het toch maar moest proberen. Ik stribbelde nog meer tegen en zei dat ik dit echt niet wilde. Hij probeerde toch, het deed echt pijn, hij zat met het topje van zijn eikel er net in. Hij werd weer boos. Ik begon te huilen ook omdat ik pijn had en ook omdat ik bang voor hem werd. Hij zat bovenop mij. Ik lag met mijn hoofd op een kussen. Hij maakte een rechter vuist en sloeg naast mij op het kussen met volle vaart. Hij was duidelijk boos en agressief. Hij gaf me het gevoel dat ik echt iets fout had gedaan. Hij lag toen naast me. Hij pakte mij weer vast, hij pakte mij vast met zijn rechterarm om mijn nek geklemd. Hij zei, je gaat niet naar huis. Ik zei dat ik naar huis ging. Ik mocht niet van hem weg, niet voordat we het goed gedaan hadden.
Ik begon te huilen, ik wilde echt gaan. Hij had mij echt goed vast, met zijn rechterarm om mijn nek en zijn linkerarm om mijn middel. Zijn benen had hij over mijn benen gekruist. Ik kon mij niet bewegen. Ik probeerde hem weg te duwen maar hij was te sterk. Hij zei dat ik normaal moest doen en dat ik me niet moest aanstellen en niet in zo’n slachtofferrol moest gaan zitten. Ik moest het eerst maar eens gaan proberen. Hij zei dat ik niet wist wat ik hem aandeed en hoe hij zich wel niet moest voelen. Ik was een kutwijf een vuile trut. Ik zei dat als ik een kutwijf was, dat hij me dan moest laten gaan. Hij zei: “je gaat niet weg”. Hij begon er weer over hoe het dan wel niet voor hem moest zijn. Hij deed zo zijn best en ik behandelde hem zo, hij zei weer vuile trut. Verder zei hij, wie denk je wel wie je bent. Hij dwong me ook hem aan te kijken, hij hield met zijn hand mijn gezicht vast. Ik moest gewoon normaal doen, zei hij.
Hij heeft mij twee keer anaal gedaan. Ik weet dat de tweede keer dat de penis er dieper in ging. Ik had meer pijn.
p. 1450Tussendoor probeerde ik weg te komen. Ik zat op de rand op het bed, hij trok me aan de haren op het bed terug. Hij gaf die stomp op het kussen. Daarna hadden we weer anale seks, hij probeerde het weer. Ik lag toen op mijn buik, ik schreeuwde het uit dat het pijn deed. Hij pakte mij toen vast en zei dat ik normaal moest doen. Ik probeerde hem met mijn rechterhand weg te duwen. Hoe harder ik duwde hoe harder hij mij bij mijn nek vasthield. Ik dacht: Ik kom hier nooit meer weg, hij houdt me hier gewoon. Hij stootte ook heel hard. Ik zei ook dat het zeer deed. Ik riep: “au je doet me pijn”. Hij bleef ook harder stoten. De tweede keer dat hij me anaal wilde nemen, lag ik op mijn buik. De eerste keer zat ik bovenop hem.
Hij hield mij vast bij de heupen en drukte mij tegen hem aan. Ik probeerde met de onderkant weg te komen omdat ik het niet wilde. Uiteindelijk kon ik hem niet aan. Hij wrong zo heftig
dat zijn penis er bijna inzat en dat ik daardoor begon te schreeuwen dat het pijn deed.
p. 1451Toen gooide hij mij van hem af en toen lag ik naast hem en toen klemde hij mij vast. Hij hield toen mijn gezicht vast en dat hij zei wat ik hem allemaal aan deed. En dat ik in moest zien dat ik hem moest geruststellen. Hij bleef maar zeggen dat ik normaal moest doen. Hij zei ook steeds: “vind je je gedrag normaal”. Het was allemaal mijn schuld en ik moest sorry zeggen van hem.
Ik kwam er later achter dat ik van achteren aan het bloeden was.
2.
Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van [forensisch geneeskundige] d.d. 5 juni 2019, dossierpagina’s 1442-1444, voor zover inhoudende:
Naar aanleiding van uw verzoek, inzake het instellen van een forensisch geneeskundig onderzoek van [benadeelde 2] .
Ik heb betrokkene op 22 mei 2019 om 4.00 uur onderzocht.
Uitwendig waargenomen letsel:
Op verschillende plaatsen zijn hematomen (blauwe plekken of onderhuidse bloeduitstortingen) te zien:
Op de binnenzijde / buigzijde van de linker bovenarm is een gebied met bloeduitstortingen zichtbaar met een omvang van ongeveer 4 bij 3 cm. Hierin zijn twee ovaalronde bloeduitstortingen te zien, suggestief voor “finger-tip bruising” (veroorzaakt door stevig vastpakken);
Aan de basis van de hals, links aan de voorzijde van het lichaam, is een bloeduitstorting van ongeveer 4 bij 2 cm zichtbaar.
In de hals, onder de kin, is een lichte roodheid van de huid zichtbaar, ruwweg in de vorm van een driekhoek met de punt naar beneden, met een grootte van 5 bij 5 cm.
Bij inspectie van het genito-anale gebied zien we een tweetal bloedende fissuren (kloven), vanuit de anus. Als het slachtoffer op de rug ligt, en we de anus zien als het middelpunt van een klok, bevinden de bloedende fissuren zich respectievelijk op 7 en 8 uur, waarbij de fissuur op 8 uur de grotere verwonding is. Bij inspectie van de vagina, met speculum, is in de wand van de vagina ook een fissuur zichtbaar.
Schatting duur van de genezing:
- wat betreft zichtbare letsels: 1-2 weken
De hematomen op de arm en in de hals passen bij stevig vastpakken van de arm en het vastpakken van de hals. De fissuren vanuit de anus passen bij anale penetratie: deze verwondingen treden op als de huid overmatig opgerekt wordt.
3.
Het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict d.d. 23 mei 2019, dossierpagina’s 1440-1441, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 22 mei 2019 is bij [benadeelde 2] een zedenkit afgenomen met Spoornummer PL2000-2019117359-122520 en SIN ZAAC93I6NL.
4.
Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het NFI, d.d. 12 mei 2020, opgesteld door [deskundige 1] voor zover inhoudende:
ZAAC9316NL#01 bemonstering ‘in de anus’ (nat)
ZAAC9316NL#02 bemonstering ‘in de anus’ (droog)
In bemonstering ZAAC9316NL#01 zijn spermacellen waargenomen. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat.
Ondanks dat er in bemonstering ZMC9316NL#02 geen spermacellen zijn waargenomen, wordt op grond van het onderzoek naar biologische sporen en het DNA-onderzoek geconcludeerd dat bemonstering ZAAC9316NL#02 wel sperma bevat.
Op grond van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat het sperma in bemonsteringen ZAAC9316NL#01 en #02 afkomstig kan zijn van [verdachte] .
Hypothese 1: De bemonstering bevat sperma van [verdachte] en celmateriaal van slachtoffer [benadeelde 2] .
Hypothese 2: De bemonstering bevat sperma van een willekeurige onbekende man en celmateriaal van slachtoffer [benadeelde 2] .
Het verkregen DNA-mengprofiel van het DNA in elk van de bemonsteringen ZAAC9316NL#01 en #02 is meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
5.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 21 juli 2020, voor zover inhoudende als verklaring van de [verdachte] :
Ik heb op 21 mei 2019 in mijn woning meermalen seks gehad met [benadeelde 2] . Ik heb met mijn vuist op het kussen geslagen.
6.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2019, dossierpagina’s 1455-1456, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
Op 21 mei 2019 omstreeks 23.13 uur kregen wij de opdracht van de politie meldkamer te [woonplaats verdachte] om te gaan naar de (…) te [woonplaats verdachte] .
Omstreeks 23.18 kwamen wij ter plaatse. De voordeur werd geopend door [benadeelde 2] . In de woning was ook haar vriendin genaamd: [getuige 2] .
Wij, verbalisanten, zagen dat [benadeelde 2] huilde en trillende handen had.
[getuige 2] vertelde dat zij op dinsdag 21 mei 2019 omstreeks 22.24 uur gebeld werd en verklaarde dat zij in eerste instantie niet wist wie zij aan de lijn had. [getuige 2] hoorde namelijk erg veel geritsel, geschreeuw en gehuil op de achtergrond. Kort hierna besefte [getuige 2] dat het [benadeelde 2] was. [getuige 2] verklaarde vervolgens dat zij alleen maar had geroepen: “stap in de auto en deuren op slot”.
[benadeelde 2] vertelde dat zij bij haar anus bloedde.
7.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 mei 2019, dossierpagina’s 1459-1463, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] :
V: Wat heb je gehoord en gezien over [benadeelde 2] ?
A: Ze liet de foto zien van de jongen met wie ze op date ging. Ik herkende hem (…) [verdachte] . Toen was dinsdag de date. Toen ik naar bed wilde gaan, belde ze me op. Ze was in paniek en zei dat hij losse handjes had en dat het mis was gegaan. Ze was in paniek, ze huilde tussendoor. Ze vertelde dat ze niet weg mocht, dat ze niets te vertellen had. Ze zei dat ze thuis was en dat een vriendin onderweg was. Ze vertelde dat hij dingen deed, dat ze dat niet wilde, maar dat hij het toch deed. Ze herhaalde zichzelf een aantal keer, omdat ze in paniek was.
V: Hoe merkte je dat ze (
het hof begrijpt telkens: aangeefster [benadeelde 2]) in paniek was?
A: Ze was aan het huilen, ze was aan het hyperventileren, ze herhaalde zich.
V: Het telefoongesprek van 21 mei 2019 om 22.45 uur. Je neemt op en wat zegt ze dan als eerste?
A: [benadeelde 2] was aan het huilen, buiten adem aan het huilen. Ik vroeg wat er aan de hand was. Ze zei dat hij gestoord was, dat ze naar huis wilde en ze mocht niet.
8.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 mei 2019, dossierpagina’s 1464-1470, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
V: Dan belt zij (
het hof begrijpt: aangeefster [benadeelde 2]) jou om 22.24 uur. Kun je zo uitgebreid mogelijk vertellen hoe dat telefoongesprek is gegaan?
A: Ik hoorde allen maar gekraak en gesuis. Hierna hoorde ik haar stem. Heel anders dan normaal. Echt in paniek en huilen. Ik hoorde haar in paniek zeggen: “hij komt direct, hij komt direct, hij is gek.” “Ik ga dood” heeft ze ook nog een keer gezegd. Ik hoorde vooral paniekerig gehijg aan de telefoon. Ik heb gezegd dat ik haar aan de lijn zou houden totdat ze thuis zou zijn. Dat was tien minuten later.
V: Dan is zij binnen en dan?
A: Ik was ongeveer 20 minuten nadat ik opgehangen heb bij [benadeelde 2] . Ik was om 22.57 uur bij [benadeelde 2] binnen. Ik zag dat [benadeelde 2] voor de deur stond met mascara over haar gezicht. Ze zag heel wit in haar gezicht. Ze zag er heel aangedaan uit. Ze zei “ik mocht niet weg” en “Hij hield mij vast” en “Ik wilde niet, hij ging gewoon door, ik zei nee, hij is gek hij is gek”. Ik heb toen de politie gebeld.
9.
Een schriftelijk bescheid, te weten een afschrift van een telefoongesprek tussen de [verdachte] en [betrokkene] d.d. 22 mei 2019 om 16:24 uur, dossierpagina 195-196, voor zover inhoudende:
[verdachte] zegt dat er een vrouwtje bij hem was geweest.
Een Nederlandse.
Ze een discussie kregen over haar kontje.
Ze para werd en toen vertrokken is.
[betrokkene] vraagt of ze niet in haar kontje wilde.
[verdachte] zegt dat als hij gesmookt heeft, hij anders wordt zeggen ze, iets meer dwingend of zo.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot feit 2 gerefereerd aan de bewezenverklaring van verkrachting. Met betrekking tot feit 1 is vrijspraak bepleit. Daartoe is, op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, in de kern aangevoerd dat er onvoldoende zelfstandig steunbewijs is voor de verklaringen van aangeefster. De door [getuige 1] en de politie waargenomen emoties bij aangeefster zouden zien op een moment te ver verwijderd van de gebeurtenissen, terwijl die emoties ook door iets anders zouden kunnen zijn ingegeven.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ten aanzien van feit 1
Anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal en de rechtbank, ziet het hof geen grond om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [benadeelde 1] , met name nu deze op essentiële onderdelen steun vindt in de overige bewijsmiddelen, waaronder de getuigenverklaring van [getuige 1] . Aangeefster [benadeelde 1] heeft een dag na de verkrachting, kort nadat ze door de verdachte op het station in [woonplaats verdachte] was afgezet en de trein van 09.08 uur [woonplaats verdachte] had verlaten, om 09.34 uur via WhatsApp contact opgenomen met haar vriendin [getuige 1] . [benadeelde 1] heeft [getuige 1] via WhatsApp verteld dat ze is verkracht. Toen [benadeelde 1] vervolgens arriveerde op [woonplaats benadeelde 1] , heeft zij direct contact opgenomen met de politie (zie ook dossierpagina 1300: de [woonplaats benadeelde 1] politie ging die dag om 10.13 uur naar aangeefster toe). Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft [getuige 1] als getuige verklaard dat zij zag dat [benadeelde 1] , toen zij haar diezelfde dag om 14.00 uur thuis bezocht, overstuur was, dat de tranen bleven lopen en dat [benadeelde 1] moeilijk uit haar woorden kwam. [getuige 1] heeft tevens beschreven dat ze paniek en angst zag.
Anders dan de verdediging betoogt, acht het hof de waarnemingen van [getuige 1] niet te ver verwijderd van de relevante gebeurtenissen om daaraan nog (steun)bewijswaarde te kunnen toekennen. Zodra aangeefster [benadeelde 1] uit de machtssfeer van de verdachte was (en in de rijdende trein zat), heeft ze met [getuige 1] contact opgenomen, terwijl ze zich meteen bij aankomst op [woonplaats benadeelde 1] tot de politie heeft gewend. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het gegeven dat [benadeelde 1] heeft gewacht met het benaderen van een goede vriendin tot het moment dat zij buiten het fysieke bereik van de verdachte was en zich weer veilig voelde, alles behalve vreemd of opmerkelijk is en juist past bij hetgeen haar is overkomen. Zodra zij haar woonplaats had bereikt, heeft zij contact opgenomen met de politie aldaar. Eerder, toen ze nog bij de verdachte was, had [benadeelde 1] al verschillende malen tevergeefs aangegeven weg te willen en had de verdachte haar dat met geweld belet. [benadeelde 1] verklaarde hierover als volgt (dossierpagina’s 1293-1294):
“Toen ik zei dat ik weg ging, zei hij: “Jij gaat niet weg”, “Je verpest heel mijn dag”, “Vind je het normaal dat je mij zo’n gevoel geeft door te zeggen dat je niet wil”. Ik zei dat ik gewoon naar huis wilde en dat dit ook niet normaal was. Hij gooide mij weer op bed en pakte met zijn hand mijn keel en kaak vast. Hij zei: “Je gaat naar mij luisteren, je gaat het leuk vinden”. Elke keer als ik zei dat ik naar huis ging, pakte hij mij bij mijn keel en pakte hij met zijn hand de onderkant van mijn kin. Hij zei dat ik moest stoppen met huilen, maar dat lukte niet. Er lag een handdoek naast het bed en daarmee droogde ik mijn tranen op het moment dat ik me mocht bewegen. Op een gegeven moment liet hij mij even met rust en zette hij weer een film of serie op. Ik vroeg aan hem of ik een Advil uit mijn tas mocht pakken. Dat mocht en dat heb ik toen gedaan. Toen bedacht ik me dat ik gewoon met hem mee moest doen, omdat ik anders niet weg zou komen daar. Ik bedacht dat er niets anders op zou zitten. Ik zei dat hij me even met rust moest laten, omdat hij mij pijn had gedaan. Vervolgens heb ik even geslapen en toen ik wakker werd heb ik aardig gedaan tegen hem. We zijn toen samen gaan douchen en hebben toen weer seks gehad. Ik deed toen of ik het zelf ook wilde, maar ik vond het walgelijk en het was pijnlijk. Maar ik wilde dat het zou stoppen.”
Het hof ziet dit als een begrijpelijke ‘overlevingsstrategie’ van [benadeelde 1] om weg te kunnen komen bij de verdachte en merkt in dit verband op dat dezelfde overlevingsstrategie is gebruikt door aangeefster [benadeelde 2] . [benadeelde 2] verklaarde daarover als volgt (dossierpagina 1450): “
Tussendoor probeerde ik weg te komen. Ik zat op de rand op het bed, hij trok me aan de haren op het bed terug. Hij heeft dat twee keer gedaan... (lange stilte) De eerste keer dat ik probeerde terug te komen gaf hij die stomp op het kussen, ik riep nog tegen hem: au je doet me pijn. Daarna hadden we weer anale seks, hij probeerde het weer. Ik lag toen op mijn buik, ik schreeuwde het uit dat het pijn deed. Hij pakte mij toen vast en zei dat ik normaal moest doen. Ik probeerde hem met mijn rechterhand weg te duwen. Ik had mijn hand op zijn borst. Hoe harder ik duwde hoe harder hij mij bij mijn nek vasthield. Ik dacht: ik kom hier nooit meer weg, hij houdt me hier gewoon. Ik was me alleen aan het bedenken wat ik kon doen om hem rustiger te maken en tot hem door te dringen. Op een gegeven moment heb ik hem toch weer gezoend”. Daarna heeft ze kunnen vluchten.
De door [getuige 1] bij [benadeelde 1] waargenomen emoties passen ook bij hetgeen aangeefster haar vertelde en er is geen begin van aannemelijkheid dat deze door iets anders waren ingegeven.
De aangifte van [benadeelde 1] vindt ook verder steun in die van [benadeelde 2] en vice versa, in die zin dat beide aangeefsters immers, onafhankelijk van elkaar, op authentieke en gedetailleerde wijze eenzelfde specifiek gedrag van de verdachte beschrijven, te weten het geen ‘nee’ van zijn sekspartner te kunnen verdragen en dat als een krenking te ervaren.
[benadeelde 1] : “
Hij zei dat hij voelde als een vrouw hem niet wil en dat hij wilde dat ik moest laten zien dat ik hem wel wilde. (…)“Vind jij het normaal dat je mij zo’n gevoel geeft door te zeggen dat je niet wil”. Ik zei dat ik naar huis wilde en dat dit niet normaal was. Hij gooide mij weer op bed en pakte met zijn hand mijn keel en kaak vast. Hij zei: “Je gaat naar mij luisteren, je gaat het leuk vinden.”
[benadeelde 2] : “
Ik moest het eerst maar eens gaan proberen. Hij zei dat ik niet wist wat ik hem aandeed en hoe hij zich wel niet moest voelen. Ik was een kutwijf een vuile trut. Ik zei dat als ik een kutwijf was, dat hij me dan moest laten gaan. Hij zei: “je gaat niet weg”. Hij begon er weer over hoe het dan wel niet voor hem moest zijn. Hij deed zo zijn best en ik behandelde hem zo, hij zei weer vuile trut. Verder zei hij, wie denk je wel wie je bent. Hij dwong me ook hem aan te kijken, hij hield met zijn hand mijn gezicht vast. Ik moest gewoon normaal doen, zei hij.”
De verdediging heeft aangevoerd dat [forensisch arts] in de aanvullende rapportage van 26 juli 2024 heeft geoordeeld dat zowel een verkrachting als een vrijwillige sekspartij een passende verklaring kan opleveren voor het bij [benadeelde 1] aangetroffen letsel. Dat doet echter niet af, zoals de verdediging in de pleitnota ook lijkt te onderschrijven, dat dit aangetroffen letsel de verklaring van [benadeelde 1] ondersteunt dat zij na de eerste vrijwillige seks met de verdachte in de avond van 9 mei 2018 bloedde en daar in de ochtend van 10 mei 2018 pijn van had en daarom op die ochtend geen seks meer wilde.
Gelet op het vorenoverwogene gaat het hof, met de rechtbank, uit van de betrouwbaarheid van de aangifte van [benadeelde 1] .Voorts is het hof van oordeel dat voldoende steunbewijs aanwezig is. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde 1] meermalen heeft verkracht zoals hierboven bewezen is verklaard, waarbij hij meermalen zijn penis in de vagina van [benadeelde 1] heeft geduwd en dat hij eenmaal met zijn vingers de vagina van [benadeelde 1] is binnengegaan. Verdachte wist dat [benadeelde 1] dit niet wilde, nu zij dit meermalen tegen hem heeft gezegd, waarop de verdachte antwoordde dat hij voelde als een vrouw hem niet wil en dat hij wilde dat zij liet zien dat zij hem wel wilde. Hij heeft haar vervolgens gedwongen “het leuk te gaan vinden”, of beter gezegd, het te ondergaan, ondanks haar tegenstribbelen, gillen en huilen. Hij heeft daarbij steeds geweld gebruikt, door onder meer de arm van [benadeelde 1] op haar rug te klemmen en haar bij de kaak en keel vast te pakken, en heeft gedreigd met geweld door haar te zeggen dat hij een mes zou gaan halen.
Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
verkrachting,
meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
verkrachting,
meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
In de pro-Justitiarapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) d.d. 25 januari 2024, opgesteld door [psychiater] , psychiater en [psycholoog 1] , klinisch neuropsycholoog, is geadviseerd om de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Bij de latere bespreking van de op te leggen maatregelen worden de daaraan ten grondslag liggende bevindingen aangehaald. Het hof volgt deze conclusie en bevindingen, maakt deze tot de zijne en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing dat de verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen.
Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf en maatregelen
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregelen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan herhaalde verkrachtingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Met dit gedrag heeft de verdachte op grove wijze de lichamelijke en psychische integriteit van beide slachtoffers geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk gedrag langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers en dat het vertrouwen in de medemens als gevolg van het bewezenverklaarde handelen ernstig verstoord kan raken, hetgeen bevestiging vindt in de schriftelijke slachtofferverklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Uit voornoemde slachtofferverklaringen volgt dat beide slachtoffers ten tijde van de tenlastegelegde feiten gevoelens van angst en machteloosheid hebben ervaren en dat de negatieve gevolgen van de incidenten, waaronder angstgevoelens, bij hen tot op de dag van vandaag aanwezig zijn. Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder andere voor huiselijk geweld en mishandeling.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij na zijn detentie en behandeling naar Albanië wil vertrekken en daar wil werken voor een vriend die actief is in de makelaardij.
Het hof heeft tot slot acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht wordt als vertrekpunt voor de op te leggen straf uitgegaan van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden indien sprake is van geweld of een daarmee vergelijkbare mate van dwang en van een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden indien sprake is van ernstig geweld of een daarmee vergelijkbare mate van dwang.
In het onderhavige geval heeft de verdachte zich ten opzichte van beide aangeefsters door middel van (bedreiging met) geweld en andere feitelijkheden schuldig gemaakt aan herhaalde verkrachtingen, waarbij de verdachte hen belette uit zijn woning te vertrekken en aldus misbruik heeft gemaakt van de weerloze en kwetsbare positie waarin de slachtoffers zich bevonden.
Het hof zal in strafmatigende zin rekening houden met de omstandigheid dat de tenlastegelegde feiten slechts in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.
Naar het oordeel van het hof kan, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde zoals hiervoor omschreven, de hiervoor bedoelde oriëntatiepunten en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Alles afwegende zou het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend en geboden achten, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Gelet op het feit dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, zal het hof de op te leggen straf echter matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep evenwel nog het volgende.
Het hof heeft in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep wordt afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld. In gevallen zoals het onderhavige, waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, dient de zaak echter in iedere procesfase binnen zestien maanden te worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim vier jaren en een maand is overschreden, nu bij akte van 17 augustus 2020 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en het hof bij arrest van heden, te weten 21 januari 2026, einduitspraak doet. Het lange procesverloop is in overwegende mate aan de proceshouding van de verdachte zelf te wijten. De verdachte is tot op heden door zeven opeenvolgende raadslieden bijgestaan; de laatste en huidige raadsman is dan ook door het hof aangewezen. In hoger beroep hebben ruim 30 zittingen plaatsgevonden, die voor een belangrijk deel zijn te wijten aan die vele wisselingen in bijstand en tal van (nieuwe) onderzoekswensen zijdens de steeds nieuw aangetreden verdediging, en tot slot aan een verzoek tot wraking d.d. 29 september 2025, dat door de wrakingskamer op 22 oktober jl. is afgewezen (registratienummer 200.359.852/01). Desondanks is niet uit te sluiten dat een gedeelte van de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de verdachte is toe te schrijven.
Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zekerheidshalve in het voordeel van verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, zal matigen met zes maanden.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Op te leggen tbs-maatregel
De maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden. Een van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel die behoort tot een van de misdrijven omschreven in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht, en dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist, kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Voor oplegging van de maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht).
In het vooronderzoek heeft de verdediging sterk aangedrongen de verdachte geen tbs met dwangverpleging op te leggen, maar te volstaan met oplegging van een tbs met voorwaarden. Oplegging van een tbs met voorwaarden is echter niet aan de orde, alleen al vanwege de op te leggen gevangenisstraf die de vijf jaren overschrijdt (artikel 38, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht).
In de meest recente Pro-Justitiarapportage van het PBC d.d. 25 januari 2024, opgesteld door [psychiater] , psychiater en [psycholoog 1] , klinisch neuropsycholoog, onder supervisie van [psycholoog 2] , GZ-psycholoog, wordt vastgesteld dat sprake is van ernstige persoonlijkheidsproblematiek, te weten een narcistische persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken. Het empathisch vermogen en de gewetensfunctie van de verdachte schieten sterk tekort en de verdachte verheft zich op stelselmatige wijze boven de ander en overschrijdt de grenzen van anderen, achteloos en zich onaantastbaar wanend, niet alleen seksueel maar op allerlei manieren. Hij ziet zelf niet in dat hij grenzen overgaat en laat zich daarvan ook niet overtuigen. Het probleeminzicht wordt afwezig geacht en de verdachte zou zijn eigen waarheden creëren. Voornoemde stoornis was volgens de rapporteurs reeds aanwezig ten tijde van de tenlastegelegde feiten en was daarop van invloed. Die beïnvloeding was echter niet dermate dwingend dat de verdachte geen gedragsalternatieven tot zijn beschikking had. Bijgevolg wordt, zoals hiervoor onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’ reeds overwogen, geadviseerd om het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het recidiverisico ten aanzien van een seksueel (gewelddadig) feit wordt door de rapporteurs ingeschat als hoog op een middellange termijn indien de verdachte onbehandeld zou terugkeren in de vrije samenleving.
Concluderend wordt door de rapporteurs oplegging van de maatregel tbs met verpleging van overheidswege met de hoogste behandelintensiteit geadviseerd. Om het recidiverisico te verminderen, wordt een behandeling van de ernstige psychopathologie noodzakelijk geacht. Psychotherapie verdient daarbij de voorkeur. Om tot een vergroting van het inzicht en het probleembesef te komen, dient de behandeling van de verdachte volgens de deskundigen van het PBC te worden aangeboden in een intensief kader, in een klinische setting. Gezien de ernst en de hardnekkigheid van de problematiek en het feit dat de verdachte – ook na de reeds gevolgde behandeling – hierin slechts selectief inzicht toont en belangrijke aspecten daarvan vooralsnog onbespreekbaar houdt, is de verwachting dat deze behandeling meerdere jaren zal beslaan.
De deskundigen van het PBC hebben in overleg met Reclassering Nederland en na raadpleging van een in zedenproblematiek gespecialiseerde kliniek ook overwogen of de geïndiceerde behandeling bij de verdachte redelijkerwijs uitvoerbaar is binnen het kader van de tbs met voorwaarden. Zij zien echter teveel contra-indicaties om een dergelijk kader verantwoord vorm te kunnen geven. Daarbij wordt gewezen op het gebrekkige probleeminzicht, het feit dat er op cruciale punten geen overeenstemming is over de diagnostiek, het hoge recidiverisico en de verwachting dat door het dwingende karakter van de verdachte de samenwerking al snel onder druk zal komen te staan. Daarmee resteert volgens de voormelde deskundigen niets anders dan een advies om aan de verdachte een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen. Gelet op de ernst van de problematiek wordt daarbij een FPC, beveiligingsniveau 4, geadviseerd, vanwege de hoogste behandelingsintensiteit die daar kan worden geboden.
Het hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven bevindingen en conclusies van de deskundigen van het PBC met betrekking tot de persoonlijkheidsproblematiek, het hoge recidiverisico en de noodzaak van een langdurige klinische behandeling in het kader van een tbs met dwangverpleging, en maakt deze tot de zijne. Zonder een dergelijke behandeling acht het hof de kans op recidive wegens de stoornissen van de verdachte (zeer) hoog. Daarbij betrekt het hof tevens dat de verdachte – ook ter terechtzitting in hoger beroep – geen blijk heeft gegeven van enig inzicht in het kwalijke van zijn handelen en zich voornamelijk als slachtoffer heeft opgesteld.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de verdediging bepleit, onder overlegging van de bevindingen van de door de verdediging ingeschakelde (gepensioneerde) psycholoog [deskundige 2] , NRGD-geregistreerd tot 2017, dat aan de verdachte een tbs met voorwaarden dient te worden opgelegd. Hoewel de door het hof op te leggen gevangenisstraf oplegging van een tbs met voorwaarden wettelijk onmogelijk maakt, overweegt het hof hierna ten overvloede waarom, indien de wet oplegging van een tbs met voorwaarden mogelijk had gemaakt, daartoe in dit geval toch niet zou zijn overgegaan.
In zijn rapport van 10 maart 2025 komt [deskundige 2] tot het oordeel dat de verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis met primair narcistische en daarnaast borderline en psychopathische trekken. Ook [deskundige 2] acht het recidiverisico hoog, een werkelijk ziekte-inzicht afwezig en een intensieve behandeling aangewezen: de eerste jaren intensief klinisch en later in ambulante vorm. [deskundige 2] komt tot een advies voor een tbs met voorwaarden. Als onderbouwing draagt hij aan dat de verdachte hiervoor nu sterk gemotiveerd is en hij een grote kans aanwezig acht dat de verdachte zich van meet af aan zal gaan verzetten tegen een tbs met dwangverpleging, zodat een Long Stay dreigt en ook suïcidaliteit een mogelijkheid is. De reclassering adviseert in haar advies van 17 september 2025, net als het PBC, echter negatief over een tbs met voorwaarden. Alles overwegend is de reclassering van mening dat zij onvoldoende in staat is aan risicomanagement te doen in het kader van een tbs met voorwaarden. Dit gezien de ernst van de tenlastegelegde feiten, de ernst van de persoonlijkheidsstoornis, het hoge recidiverisico, het gevaar voor vrouwen met wie de verdachte in contact komt, de lange duur van de noodzakelijke behandeling, de problemen die in de samenwerking worden verwacht en het hoge risico op onttrekking aan voorwaarden. De reclassering heeft desondanks onderzocht of een kliniek bereid is de verdachte in het kader van een op te leggen tbs met voorwaarden op te nemen. Dit onderzoek heeft in eerste instantie enkel afwijzende antwoorden opgeleverd. Uiteindelijk is er door de reclassering, na herhaalde verzoeken van de verdediging, slecht één kliniek gevonden ( [kliniek] ) die de verdachte een kans zou willen bieden en hem – “zij het onder strikte en duidelijke voorwaarden” – in het kader van een tbs met voorwaarden zou willen opnemen en behandelen. Dit ondanks “serieuze twijfels of het realistisch en verantwoord is”. Desondanks blijft de reclassering bij het standpunt dat zij zich onvoldoende in staat acht om in dit kader aan risicomanagement te doen. De reclassering blijft negatief adviseren over een aan de verdachte op te leggen tbs met voorwaarden. Zij ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden risico’s te beperken of het gedrag te veranderen (reclasseringsadvies d.d. 30 december 2025).
Anders dan door de verdediging en de heer [deskundige 2] in diens rapport van 10 maart 2025 en ter terechtzitting in hoger beroep is betoogd, had naar het oordeel van het hof in dit geval – indien de op te leggen gevangenisstraf daaraan niet in de weg zou hebben gestaan – niet kunnen worden volstaan met oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden als bedoeld in artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof verwijst daarvoor, met de advocaat-generaal, naar de hiervoor aangehaalde argumenten van het PBC en Reclassering Nederland waarom een behandeling van de verdachte ter beteugeling van het hoge recidiverisico in het kader van een tbs met voorwaarden, geen reële kans van slagen heeft. De bevindingen van het PBC en de reclassering stroken geheel met de indruk die het hof gedurende de meer dan 30 zittingen van de verdachte heeft gekregen: de persoonlijkheidsstoornis van de verdachte is massief en de verdachte laat zich nauwelijks sturen.
Het hof ziet derhalve geen andere mogelijkheid en acht het noodzakelijk aan de verdachte de maatregel tbs met dwangverpleging op te leggen. Aan alle eisen die de wet aan het opleggen van de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege stelt is voldaan. Het hof beschikt over een voldoende recent advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Blijkens deze deskundigenrapportage van het PBC bestond bij de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, op verkrachting als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud) is een maximale gevangenisstraf van meer dan vier jaren gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.
De verdediging heeft betoogd dat het PBC-advies van 25 januari 2024 materieel te oud is, nu deze krap twee jaar geleden is gedagtekend. Het hof is, gelet op het bepaalde in artikel 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, van oordeel dat dit standpunt geen steun vindt in het recht (vgl. ECLI:NL:HR:2003:AF3094). Dit advies is immers niet later dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting opgesteld, nu de samenstelling van het hof gedurende de inhoudelijke en telkens voortgezette behandeling van de strafzaak (sinds 8 januari 2025) niet is gewijzigd. Dat de inhoud van de PBC-rapportage nog immer als actueel kan worden gekwalificeerd, blijkt ook uit de door psycholoog [deskundige 2] op 10 maart 2025 uitgebrachte rapportage, nu hij aangaande de ernstige ziekelijke stoornis waaraan de verdachte lijdt, de doorwerking hiervan in het tenlastegelegde en de inschatting van het recidiverisico, de conclusies van het PBC volledig onderschrijft. Tot slot merkt het hof op dat de maatregel van tbs gelast wordt ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de duur van de tbs niet op voorhand gemaximeerd is (artikel 38e, eerste lid, Sr).
Op te leggen gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel
Het hof acht, met de advocaat-generaal, tevens noodzakelijk om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Nu de verdachte zich na de invoering van artikel 38z in het Wetboek van Strafrecht schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, waarvoor hij wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstaf van na te melden duur en ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht, is aan de wettelijke eisen voor de oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel voldaan.
Het hof heeft hierbij acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 17 september 2025, waarin oplegging van voornoemde maatregel wordt geadviseerd, zodat na afloop van de tbs-maatregel langdurig aan risicomanagement kan worden gedaan indien de tbs onverhoopt onvoldoende leidt tot een vermindering van het recidiverisico en er een hoog risico bestaat dat de verdachte anderen ernstig (psychisch) letsel berokkent. Naar het oordeel van het hof is de oplegging van de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, temeer nu blijkens de PBC-rapportage d.d. 25 januari 2024 sprake is van een hoog recidiverisico aan de zijde van de verdachte gelet op zijn hardnekkig patroon van het zich stelselmatig boven anderen verheffen en achteloos en zich onaantastbaar wanend grenzen van anderen overschrijden, waaronder op seksueel gebied. Het hof acht oplegging van de maatregel aldus noodzakelijk om te voorkomen dat de verdachte zich na zijn behandeling opnieuw schuldig maakt aan soortgelijke strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 12.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht zich te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .
Het hof overweegt met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding als volgt.
Van de in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verkrachting, zoals ook in het onderhavige geval aan de orde is, doorgaans een ernstige inbreuk maakt op de (seksuele) integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen ervan te kampen kunnen hebben. Dat dit hier niet anders is, blijkt uit de slachtofferverklaring van [benadeelde 1] .
Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, naar billijkheid op een bedrag van € 10.000,00. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2018, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Door de benadeelde partij is verzocht om vergoeding van de proceskosten conform het liquidatietarief. Het hof is van oordeel dat in dit verband aansluiting moet worden gezocht bij het liquidatietarief kantonzaken. Voor de rechtsgang in eerste aanleg wordt bij een vordering met een hoofdsom van € 10.000,00 tot € 20.000,00 (conform de tarieven d.d. 1 januari 2019, zoals die golden ten tijde van het wijzen van het beroepen vonnis) in de regel een bedrag van € 300,00 per punt als salaris toegekend. De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe, te weten één punt voor het door zijn advocaat indienen van de vordering tot schadevergoeding en één punt voor de aanwezigheid van de advocaat ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof begroot de proceskosten voor de rechtsgang in eerste aanleg derhalve op een bedrag van € 600,00 (2 x € 300,00).
Voor de rechtsgang in hoger beroep is het ‘liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2024’ van toepassing. Daarbij wordt in geval van een gevorderde hoofdsom tussen € 10.000,00 en € 20.000,00 in de regel € 1.214,00 per punt salaris toegekend. De benadeelde partij komt twee punten toe, namelijk voor de aanwezigheid van de advocaat op de twee inhoudelijke behandelingen ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten voor de rechtsgang in hoger beroep derhalve op een bedrag van € 2.428,00 (2 x € 1.214,00).
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij aldus begroot op € 3.028,00 (€ 600,00 + € 2.428,00).
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 10.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 10.511,25, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende bedragen:
€ 82,50 aan kosten voor een prepaid simkaart en beltegoed;
€ 350,36 aan kosten ter zake van het eigen risico;
€ 25,07 aan kosten voor medicatie;
€ 53,32 aan reiskosten;
€ 10.000,00 aan immateriële schade.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 8.011,25, bestaande uit € 511,25 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gelijkgesteld aan het door de rechtbank aan de benadeelde partij [benadeelde 1] toegekende bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade.
Het hof overweegt met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding als volgt.
Posten i., ii. en iii.
Ten aanzien van de posten i., ii. en iii. is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden tot het na te noemen bedrag. Voormelde posten zijn voldoende onderbouwd en niet betwist, reden waarom het hof ter zake van deze posten een bedrag van € 457,93 aan materiële schadevergoeding integraal zal toewijzen.
Post iv.
Het hof is van oordeel dat de gevorderde reiskosten van en naar het politiebureau in verband met de aangifte (ter hoogte van € 20,78) en de reiskosten van en naar Slachtofferhulp Nederland (ter hoogte van € 1,62) niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade ten gevolge van het strafbare feit. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Ten aanzien van de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken voor medisch onderzoek naar aanleiding van het bewezenverklaarde (ter hoogte van € 30,92) is het hof daarentegen van oordeel dat dit wel als rechtstreekse schade ten gevolge van het strafbare feit kan worden aangemerkt. Voormelde post is voldoende onderbouwd en niet betwist, zodat het hof ter zake van post iv. een bedrag van € 30,92 aan reiskosten zal toewijzen.
Post v.
Het hof is ook hier van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verkrachting, zoals ook in het onderhavige geval aan de orde is, doorgaans een ernstige inbreuk maakt op de (seksuele) integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen ervan te kampen kunnen hebben. Uit de slachtofferverklaring van [benadeelde 2] blijkt dat hiervan sprake is.
Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 10.000,00.
Resumé
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 10.488,85, bestaande uit € 488,85 aan materiële schade en
€ 10.000,00 aan immateriële schade. Het hof zal de benadeelde partij ten aanzien van het overige gedeelte niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2020, zijnde het moment waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend, voor de materiële schade en 21 mei 2019, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, voor de immateriële schade, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 10.488,85. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 10.488,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2020, zijnde het moment waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend, voor de materiële schade (€ 488,85) en vanaf 21 mei 2019 voor de immateriële schade
(€ 10.000,00), steeds tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.