ECLI:NL:HR:1923:288
Hoge Raad
- Cassatie
- Jhr. de Savornin Lohman
- Segers
- Savelberg
- van den Dries
- Schepel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffing Dividend- en Tantiemebelasting ondanks statutenwijziging en onderlinge verrekening
In deze zaak staat centraal de heffing van Dividend- en Tantiemebelasting over het boekjaar 1918 van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië. De belanghebbende was aandeelhouder van de Bataafsche Petroleummaatschappij, die haar winstuitkering wijzigde van gelijke verdeling naar 95% voor aandelen A en 5% voor aandelen B. Deze wijziging ging gepaard met een overeenkomst tussen de Koninklijke en Shell om financiële nadelen door verrekening te voorkomen.
De belanghebbende stelde dat zij slechts belasting verschuldigd was over het bedrag dat zij bij gelijke winstgerechtigdheid zou hebben ontvangen, en dat het hogere bedrag van 85½ miljoen gulden als winstuitdeling moest worden afgetrokken. De Raad van Beroep vernietigde de aanslag en ging mee in dit standpunt.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het meerdere dividend boven de 60% niet als genoten door de belanghebbende kon worden beschouwd, omdat dit bedrag feitelijk ten bate van Shell werd ontvangen op grond van de onderlinge verrekeningsregeling. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van de Raad van Beroep en handhaafde de aanslag.
De uitspraak benadrukt de interpretatie van het begrip 'genoten' in de Dividend- en Tantiemebelastingwet en bevestigt dat alleen daadwerkelijk genoten bedragen voor eigen rekening aftrekbaar zijn, niet bedragen die slechts ten bate van anderen worden ontvangen. Hiermee wordt de belastingheffing in lijn gebracht met de wettelijke bedoeling en de feitelijke economische realiteit.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van de Raad van Beroep en handhaaft de aanslag Dividend- en Tantiemebelasting over 1918.