Uitspraak
[X] te [Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen I te
Rotterdamde dato 18 December 1929, betreffende zijn aanslag in de Inkomstenbelasting over het belastingjaar 1928/1929;
BERGER, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging der bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen I te Rotterdam, ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in voltallige vergadering, met inachtneming van het door den Hoogen Raad te wijzen arrest; Overwegende dat ten deze vaststaat: dat belanghebbende, die voor het belastingjaar 1 Mei 1928 - 30 April 1929 aangifte had gedaan van een bedrag van f 3640 .= als zuivere opbrengst van onderneming of arbeid zonder in zijn aangiftebiljet inkomsten uit andere bronnen van inkomen te vermelden, voor dat jaar is aangeslagen naar een zuiver inkomen van f 5000 .=;