ECLI:NL:HR:1932:BG9439

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 1932
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
34 518
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 23 SrArt. 41 WvSr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen rechtvaardiging voor aanval bij loutere vrees voor aanranding

Op 7 december 1930 mishandelde Johannes Gerardus Hartman te Westbroek zijn buurman Johannes van Sikkelerus door hem met een bijltje te slaan, waardoor deze pijnlijk en bloedig werd verwond. Hartman verklaarde dat hij het bijltje bij zich had om een hek te openen dat vermoedelijk door Van Sikkelerus was afgesloten om zijn weggaan te beletten. Toen Van Sikkelerus op hem afkwam met een moker en een stuk ijzer in de handen en een dreigende houding aannam, vreesde Hartman dat hij zou worden aangevallen en ging hij uit voorzorg zelf tot aanval over.

De politierechter kwalificeerde het feit als mishandeling en veroordeelde Hartman tot een geldboete en vervangende hechtenis. Hartman beriep zich op noodweer, maar de politierechter en het gerechtshof verwierpen dit verweer omdat het afweren van een dreigende aanval door zelf tot aanval over te gaan volgens hen geen noodweer oplevert.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat enkel de vrees voor een dreigende houding, zelfs als die vrees denkbeeldig is, nooit rechtvaardiging kan bieden om zelf tot aanval over te gaan en een strafbaar feit te plegen. Het beroep van Hartman werd daarom verworpen.

Uitkomst: Het beroep wordt verworpen; loutere vrees voor een dreigende aanval rechtvaardigt geen noodweer en strafbare mishandeling blijft staan.

Uitspraak

8 februari 1932
34 518
De Hooge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van Johannes Gerardus Hartman, geb. te Amsterdam 12 Maart 1875, wonende aldaar, zonder beroep, req. van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van den 22 October 1931, waarbij in hooger beroep is bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde straf, een mondeling vonnis van den Politierechter bij de Arr. Rb. te Utrecht van den 30 Januari 1931, bij welk vonnis req. ter zake van ‘’mishandeling’’, met toepassing van de artt. 300, 23 van het W. v. Str., is veroordeeld tot betaling van eene geldboete van vijfentwintig gulden en vervangende hechtenis van tien dagen, zijnde deze straf, met vernietiging van het vonnis in zooverre, door het Hof gesteld op geldboete van tien gulden en vervangende hechtenis van tien dagen;
Gehoord het verslag van den Raadsheer Schepel;
Gezien de insinuatie enz.;
Gelet op het middel van cassatie namens req. voorgesteld bij pleidooi: (f.i. van het middel);
Gehoord de conclusie Adv. – Gen. Wijnveldt – Strekkende tot verwerping van het beroep;
O. dat bij het in zooverre bevestigde vonnis van den Politierechter blijkens de daarvan gestelde aanteekening van het aan req. te laste gelegde w. en o. bewezen is verklaard, dat req. op 7 December 1930 te Westbroek Johannes van Sikkelerus heeft mishandeld, door opzettelijk en gewelddadig dezen met een bijltje te slaan, waardoor genoemde van Sikkelerus pijnlijk getroffen en bloedig verwond is geworden;
dat de politierechter dit feit heeft gequalificeerd en het Hof te dier zake straf heeft opgelegd als boven is vermeld;
dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting des politierechters req. heeft verklaard: ‘’Ik had dat bijltje bij mij, om het hek van het erf, waarop ik mij bevond en dat, naar ik vermoedde, door van Sikkelerus was gesloten om mij het weggaan te beletten, te openen. Toen ik mij in de richting van het hek begaf, zag ik van Sikkelerus op mij afkomen, terwijl hij in de eene hand een moker en in de andere hand een stuk ijzer had. Van Sikkelerus nam tegen mij een dreigende houding aan, waarop ik, bevreesd dat van Sikkelerus mij zou aanvallen, zelf tot den aanval ben overgegaan; daar het hek was afgesloten, was ik bang, wanneer van Sikkelerus mij aanviel, niet te kunnen ontvluchten’’;
dat, blijkens de aanteekening omtrent het vonnis, de Politierechter req. ter zake van het bewezen verklaarde en gequalificeerde feit strafbaar oordeelend, daarbij heeft overwogen: ‘’gaande het door verdachte gevoerde verweer, waarin hij zich op noodweer beroept, niet op, daar, het een dreigende aanval afweren door zelf tot den aanval over te gaan, niet oplevert noodweer’’;
dat het Hof op dit punt zich met het vonnis onder overneming der gronden heeft vereenigd;
O. omtrent het middel:
dat enkel vrees, dat men zal worden aangerand door iemand, die een dreigende houding aanneemt, welke vrees zelfs denkbeeldig kan zijn daar eene dreigende houding bij eene bedreiging kan blijven, nooit tot rechtvaardiging kan strekken, van het alvast zelf tot den aanval overgaan en het daarbij begaan van een strafbaar feit;
dat daarom de Politierechter, den inhoud van het verweer van req. in aanmerking nemend, dit terecht niet als noodweer heeft aangemerkt, en zijne overweging daaromtrent is juist, terwijl het Hof deze beslissing, zonder artikel 41 van Pro het W.v.Str. te schenden, heeft kunnen bevestigen;
dat dus het middel is ongegrond;
Verwerpt het beroep;