Uitspraak
's-Hertogenbosch, requirant van cassatie tegen een arrest van gemeld Gerechtshof van den zeventienden Juni 1935, houdende bevestiging in hooger beroep van eene door de Arrondissements-Rechtbank te Breda op 21 Maart 1935 gedane uitspraak, waarbij de gerequireerde
[gerequireerde], caféhouder, geboren [geboortedatum] 1902 te
[geboorteplaats], wonende te
[woonplaats], van het hem ten laste gelegde is vrijgesproken.
Taverne;
Berger, namens den Procureur-Generaal, in zijn conclusie, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing der zaak naar een aangrenzend Gerechtshof, ten einde op het bestaand hooger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan;
daarvanzonder schriftelijken last als in artikel 14 omschreven Pro in verdachte's woning niet mochten bevinden en getuige [getuige 1] dus ook niet bevoegd was aldaar een geweer in beslag te nemen
op grond van het bepaalde in artikel 15 der Pro Vuurwapenwet 1919;
feitelijkaldus heeft opgevat — eene opvatting, welke met de bewoordingen volkomen vereenigbaar is — dat door de woorden ‘’op grond van het bepaalde in artikel 15 der Pro Vuurwapenwet 1919’’ is uitgedrukt, dat de gemeenteveldwachter ingevolge genoemd wetsartikel
bevoegdwas het geweer in beslag te nemen, welke bevoegdheid echter, op grond van voormelde beschouwingen, door de Rechtbank niet aanwezig wordt geacht;
eerstemiddel — daargelaten de al of niet juistheid van hetgeen tot toelichting van dit middel door requirant in zijne schriftuur is aangevoerd — gegrond is, zoodat het tweede middel buiten onderzoek kan blijven;
Arnhemter berechting en afdoening op het bestaande hooger beroep, met inachtneming van dit arrest.