Uitspraak
[requirant], fabrieksarbeider, geboren te
[geboorteplaats]den [geboortedatum] 1904, en wonende te
[woonplaats], requirant van cassatie tegen een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te
Zutphenvan den dertienden December 1935, waarbij in hooger beroep, met vernietiging van een mondeling vonnis van het Kantongerecht te
Groenlovan den 10
denSeptember 1935, requirant ter zake van: " door misbruik van gezag opzettelijk uitlokken van de overtreding: het in het openbaar kleedingstukken dragen, welke uitdrukking zijn van een bepaald staatkundig streven ", met aanhaling van de artikelen 23,47,435 a van het Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot een geldboete van vijf gulden en een vervangende hechtenis van vijf dagen;
Donner;
Berger, namens den Procureur - Generaal, in zijne conclusie, strekkende
eersteniet, vermits de - uiteraard in haar geheel te lezen - dagvaarding, ook ten aanzien van het in het middel bedoelde subsidiaire gedeelte, voldoende tot uitdrukking brengt, welk feit requirant wordt telaste gelegd;
tweedeniet, omdat de omstandigheid, dat een telastlegging, gelijk de onderhavige, een bij aandachtige lezing duidelijk aan het licht tredende misstelling bevat, tot nietigheid van de dagvaarding niet behoeft te leiden;
derdeniet, omdat herstel van een kennelijke misstelling in de telastlegging niet oplevert een treden buiten de grenzen van die telastlegging;
vierdeniet, wijl requirant, een opdracht gevende " als leider van den optocht ", uitoefenende dus de zeggenschap welke hem door de hem toebetrouwde leiding van den optocht over de kinderen toekwam, en aldus die kinderen brengende tot het strafbare feit, zeker gezegd kan worden dat strafbare feit door misbruik van gezag te hebben uitgelokt, wordende voor zulk een uitlokking, welke de aansprakelijkheid van de overtreders onverlet laat, stellig niet vereischt, dat de op de overtreders geoefende zedelijke dwang zoo sterk is geweest, dat daaraan onmogelijk weerstand kon worden geboden;
vijfdeniet, vermits de Rechtbank de telastlegging kennelijk aldus heeft opgevat en heeft kunnen opvatten, dat het geven en handhaven van de opdracht samenviel met den aanvang en het verdere verloop van den optocht en dus de uitlokking geschiedde ten tijde en ter plaatse Van dien optocht, in de dagvaarding aangegeven; hebbende de Rechtbank ook, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, bewezen kunnen verklaren, dat de toedracht aldus is geweest, nu blijkens die bewijsmiddelen het strafbare feit op deze wijze is verloopen, dat de kinderen tijdens den optocht hun uniform niet - overeenkomstig de door den Burgemeester gestelde voorwaarde - met andere kleeding hebben bedekt, doch zichtbaar gedragen;