Uitspraak
Naamlooze Vennootschap Tuschinski’s Exploitatie Maatschappij, gevestigd te
Rotterdam, eischeres tot cassatie van een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te
Rotterdamop 22 Mei 1935 tusschen partijen uitgesproken, vertegenwoordigd door Mr. J. van Kuyk, advocaat bij den Hoogen Raad;
Genossenschaft zur Verwentung Muzikalischer Auffuehrungsrechte’’ (Gema), in liquidatie, gevestigd te
Berlijn, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. F.J. de Jong, mede advocaat bij den Hoogen Raad;
2. subsidiair, voor het geval het onder 1. voorgedragen middel ongegrond mocht worden bevonden:
Schending of verkeerde toepassing van artikel 48 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 4 der Pro herziene Berner conventie voor de bescherming van letterkundige en kunstwerken, artikel 1382 van Pro het Burgerlijk Wetboek, omdat de Rechtbank de vraag, of [de componist], toen hij de opdracht tot vervaardiging van de muziek van Sokal kreeg en aannam zijn rechten op die compositie reeds aan Gema had overgedragen en had kunnen overdragen, heeft beantwoord op gronden, ontleend aan Nederlandsche Wetsbepalingen, hoewel de Duitsche, althans een vreemde, wet de rechten en verplichtingen uit eene te Berlijn in de Duitsche taal tusschen vreemdelingen gesloten akte van overdracht van auteursrecht beheerscht.
Overwegende dat Gema het eerste cassatiemiddel heeft bestreden, zich ten aanzien van het tweede heeft gerefereerd aan het oordeel van den Hoogen Raad en harerzijds subsidiair, voor het geval het eerste middel gegrond zou worden bevonden, als incidenteel cassatiemiddel heeft voorgesteld;