Uitspraak
Groningenvan 28 Mei 1938 betreffende den aanslag in de belasting van de doode hand, over het belastingjaar 1937 opgelegd aan
[X];
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de Minister van Financiën tegen een uitspraak van de Raad van Beroep voor de Directe Belastingen. De Raad van Beroep had de aanslag in de belasting van de doode hand over het jaar 1937 vernietigd, omdat hij oordeelde dat de belanghebbende geen instelling was zoals bedoeld in artikel 1 van Pro de wet, en dat kerkelijke goederen zoals pastorieën en kosterieën tot het vermogen van de kerk behoren zonder dat sprake is van afzonderlijke instellingen.
De Inspecteur had de aanslag verdedigd en zich daarbij beroepen op historische en feitelijke omstandigheden, waaronder tenaamstelling in het Grootboek der Nationale Schuld, kadastrale gegevens, koop- en verkoopakten, schenkingen, beleggingen, huurinningen en reglementen van de Nederlands Hervormde Kerk.
De Hoge Raad oordeelt dat de Raad van Beroep niet volstaan mocht met een algemene regel over kerkelijke goederen en de afwezigheid van bewijzen voor een uitzondering, maar eerst had moeten vaststellen of de door de Inspecteur aangevoerde omstandigheden juist waren en welke betekenis en bewijskracht daaraan moest worden toegekend. Daarom vernietigt de Hoge Raad de uitspraak en verwijst de zaak terug naar de Raad van Beroep voor verdere behandeling en beslissing in voltallige vergadering met inachtneming van het arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de Raad van Beroep en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.