Uitspraak
Amsterdam, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Jhr. Mr. J.H. de Brauw, advocaat bij den Hoogen Raad;
Hoge Raad
In deze zaak ging het om de eigendom van een perceel bouwterrein dat door een lasthebber van de eigenaar zonder diens opdracht schijnbaar was verkocht aan een derde, die het perceel vervolgens aan een verweerster verkocht die te goeder trouw was. De oorspronkelijke eigenaar stelde dat de schijnhandeling niet tot eigendomsoverdracht had geleid en dat de verweerster het perceel niet rechtmatig kon bezitten.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de schijnhandeling niet leidde tot eigendomsoverdracht en dat de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendom kon terugvorderen. De Hoge Raad stelde echter dat volgens artikel 1910 van Pro het Burgerlijk Wetboek de bescherming van derden die te goeder trouw een recht ontlenen aan een schijnhandeling prevaleert.
De Hoge Raad overwoog dat het niet uitmaakt of de schijnhandeling door een lasthebber is verricht zonder opdracht van de eigenaar; de bescherming van de derde koper blijft gelden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de oorspronkelijke eigenaar zich niet tegenover de derde kan beroepen op de schijnhandeling om zijn eigendom te behouden.
Deze uitspraak verduidelijkt de werking van artikel 1910 BW Pro en benadrukt de bescherming van derden die vertrouwen op openbare registers en schijnhandelingen, ook als de onderliggende overeenkomst niet daadwerkelijk tot stand is gekomen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de oorspronkelijke eigenaar zich niet kan beroepen op de schijnhandeling tegen de te goeder trouw verkrijgende derde.