Uitspraak
[X], te
[Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen aldaar van 24 November 1941 betreffende zijn aanslag in de inkomstenbelasting, belastingjaar 1940/41;
Hoge Raad
Belanghebbende werd voor het belastingjaar 1940/41 aangeslagen op een zuiver inkomen van f.10.983. Na bezwaar en beroep handhaafde de Raad van Beroep de aanslag, waarbij werd vastgesteld dat belanghebbende geen volledige aangifte had gedaan van opbrengsten uit effecten, ondanks een mondelinge aangifte via een generaal pardon ter verbetering van de eerste aangifte.
De Raad oordeelde dat de oorspronkelijke aangifte en de mondelinge aangifte samen de vereiste aangifte vormden, maar dat de aanslag gehandhaafd moest blijven omdat niet was gebleken dat de aanslag onjuist was. Belanghebbende kon niet aantonen dat hij geen opbrengst had genoten uit op zich zelf staande werkzaamheden, en zijn verklaringen over de herkomst van zijn vermogen waren vaag en niet onderbouwd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, stellende dat de Raad van Beroep terecht alleen rekening hield met de oorspronkelijke aangifte bij de beoordeling van de vereiste aangifte en dat de aanslag gehandhaafd moest blijven omdat de onjuistheid niet was aangetoond. Tevens werd geoordeeld dat de beschikking van de inspecteur op het bezwaar onvoldoende was gemotiveerd, maar dit leidde niet tot vernietiging van de uitspraak.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting over 1940/41 wordt gehandhaafd.