Uitspraak
[X], gevestigd te
[Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen I aldaar van 27 September 1944, betreffende haren aanslag in de Vennootschapsbelasting voor 1941;
Hoge Raad
Belanghebbende was in 1941 aangeslagen voor vennootschapsbelasting over een vastgesteld belastbaar bedrag. Hij had een nieuw bedrijfspand laten bouwen en daarvoor een bouwkrediet afgesloten, waarvoor een provisie werd betaald. Daarnaast werden rente en kosten van het krediet en een brandverzekering tijdens de bouw betaald.
Belanghebbende wilde deze kosten als bedrijfskosten aftrekken, terwijl de Inspecteur en de Raad van Beroep deze kosten als onderdeel van de kostprijs van het pand beschouwden, waardoor ze niet aftrekbaar waren. De Raad van Beroep handhaafde de aanslag en oordeelde dat de kosten niet als passiva mochten worden opgevoerd.
De Hoge Raad overwoog dat volgens het Besluit op de Vennootschapsbelasting en het Besluit op de Inkomstenbelasting de stichtingskosten van gebouwen niet tot de bedrijfskosten behoren en derhalve niet in mindering mogen worden gebracht op de bruto-winst. De rente en verzekeringspremie tijdens de bouw behoren objectief tot de kostprijs van het pand.
Het beroep van belanghebbende werd verworpen, waarbij ook werd opgemerkt dat de vraag tot welk tijdstip deze kosten als stichtingskosten konden worden gerekend niet hoefde te worden onderzocht, omdat niet was gesteld dat deze kosten na dat tijdstip bij de aanslag waren betrokken.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt verworpen; bouwkosten en verzekeringspremies tijdens de bouw zijn geen aftrekbare bedrijfskosten maar onderdeel van de kostprijs van het pand.