Uitspraak
Brandstoffenhandel en Reederijte
Amsterdamtegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te
Amsterdamvan 22 October 1947 betreffende haar aanslag in de ondernemingsbelasting over het belastingjaar 1944;
Hoge Raad
Belanghebbende, een onderneming, betwistte de aanslag ondernemingsbelasting over 1944 en voerde aan dat bepaalde winsten en kapitaalwaarden buiten aftrek moesten blijven. De Raad van Beroep had de aanslag gehandhaafd, stellende dat de ministeriële Vierde Uitvoeringsbeschikking Ondernemingsbelasting 1942 verbindend was, ondanks dat deze na de bevrijding was gegeven en terugwerkende kracht bevatte.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de ministeriële regeling niet noodzakelijk was, dat terugwerkende kracht niet was toegestaan zonder expliciete wettelijke bevoegdheid en dat de beschikking in strijd was met artikel 181 van Pro de Grondwet, omdat belastingheffing alleen bij wet kan plaatsvinden.
De Hoge Raad oordeelde dat de ministers krachtens het Besluit Bezettingsmaatregelen bevoegd waren tot het geven van noodzakelijke uitvoeringsvoorschriften en dat de Vierde Uitvoeringsbeschikking als zodanig moest worden aangemerkt. De rechter mag niet toetsen aan de noodzaak van die regeling. Verder is de terugwerkende kracht van de beschikking toegestaan binnen de grenzen van het wijzigingsbesluit van 11 augustus 1944. Tot slot is de beschikking gelijk te stellen met een wet in de zin van artikel 181 Grondwet Pro, zodat deze niet in strijd is met de grondwettelijke eis van belastingheffing bij wet.
Het beroep werd verworpen en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag ondernemingsbelasting 1944 blijft gehandhaafd.