Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen II te
Rotterdamvan 14 October 1947 in zake den hem opgelegden aanslag in de ondernemingsbelasting over het belastingjaar 1945;
Hoge Raad
Belanghebbende was aangeslagen in de ondernemingsbelasting over 1945 op basis van een bedrijfsopbrengst van f.78.100 en een bedrijfskapitaal van f.157.000. Het geschil betrof een uitkering van 15% aan afnemers in 1947, berekend als 5% van de verbruikte bedragen in 1944, 1945 en 1946, waarvan hij het bedrag van f.11.887,68 over 1944 wilde opnemen onder de passiva om zo de bedrijfsopbrengst en het bedrijfskapitaal te verminderen.
De Inspecteur verwees naar artikel 10 lid 3 van Pro het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en stelde dat deze uitdeling niet gebaseerd was op een bestaande verplichting. De Raad van Beroep oordeelde dat belanghebbende niet ontvankelijk was in zijn beroep tegen het bedrijfskapitaal en handhaafde de aanslag voor de bedrijfsopbrengst. De Raad stelde vast dat de korting was ingetrokken en dat er geen rechtsgeldige verplichting bestond.
In cassatie stelde belanghebbende dat de korting als aftrekbaar passivum moest worden erkend en dat de Raad ten onrechte niet ontvankelijk had verklaard voor het beroep tegen het bedrijfskapitaal. De Hoge Raad verwierp het eerste middel omdat geen verplichting was aangetoond, maar gaf het tweede middel gelijk omdat de Raad van Beroep ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak en handhaafde de beschikking van de Inspecteur.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en handhaaft de aanslag van de Inspecteur, oordeelt dat de Raad van Beroep ten onrechte niet ontvankelijk was voor het beroep tegen het bedrijfskapitaal.