ECLI:NL:HR:1951:101
Hoge Raad
- Cassatie
- Van der Meulen
- Hijink
- Losecaat Vermeer
- Smits
- De Jong
- Rechtspraak.nl
Bezit te goeder trouw bij verkoop roerende goederen na beëindiging beheer vermogen
Verweerster vorderde bij de rechtbank de afgifte van roerende goederen die door eiser werden gebruikt, stellende dat deze goederen haar eigendom waren en zij het bezit onvrijwillig had verloren door verkoop door het Beheersinstituut na beëindiging van het beheer over haar vermogen.
De rechtbank wees de vordering af, maar het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat eiser niet als bezitter te goeder trouw kon worden beschouwd omdat hij onvoldoende zorgvuldigheid had betracht door niet te verifiëren of het beheer over het vermogen was beëindigd. Het hof wees de vordering van verweerster grotendeels toe.
Eiser stelde cassatie in tegen het arrest van het hof en voerde onder meer aan dat het hof ten onrechte het beroep van verweerster tegen de verkoop niet-ontvankelijk had verklaard en dat het hof onjuist had geoordeeld over de vraag of verweerster haar rechten had verwerkt door betaling van de koopprijs.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep. Hij oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat eiser niet te goeder trouw was omdat hij zich niet had vergewist van het beëindigen van het beheer, ondanks de mededeling van verweerster. Ook stelde de Hoge Raad dat het feit dat verweerster de koopprijs onder voorbehoud had ontvangen haar rechten niet had verwerkt.
De Hoge Raad bevestigde dat verweerster recht had op teruggave van de goederen en veroordeelde eiser tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Eiser is niet als bezitter te goeder trouw aangemerkt en moet de goederen aan verweerster afgeven.