De Hoge Raad der Nederlanden,
in de zaak (No. 8597) van:
de Commanditaire Vennootschap Verkoopkantoor Sio-Speelgoederen, gevestigd te Amsterdam, eiseres tot cassatie van een door het Gerechtshof te Amsterdam op 25 Juni 1952 tussen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. W. Blackstone, advocaat bij den Hogen Raad,
t e g e n
[verweerder], koopman, wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. A. E. J. Nysingh, mede advocaat bij den Hogen Raad;
Gehoord partijen;
Gehoord den Advocaat-Generaal Eggens namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie tot verwerping van het beroep in cassatie met veroordeling van eiseres in de daarop gevallen kosten;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt:
dat eiseres — hier na te noemen: Sio — [verweerder] heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam en heeft gevorderd, dat voor recht worde verklaard dat zij op 2 Juli 1949 eigenares was van de bij dagvaarding sub I, II, III en IV vermelde goederen en dat [verweerder] worde veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van f. 14.408 met rente en kosten;
dat zij tot grondslag van deze vordering stelde: dat de bedoelde goederen haar door een zekere [getuige 5] bij akten van 30 Mei 1947 en 27 April 1949 in eigendom werden overgedragen tot zekerheid voor de terugbetaling ener geldlening groot f. 15.000; dat de levering dier goederen plaats vond doordat [getuige 5] deze goederen krachtens een tegelijkertijd gesloten bruikleenovereenkomst als bruiklener voor haar onder zich kreeg; dat [verweerder], stellende eigenaar van deze goederen te zijn, opdracht heeft gegeven deze publiek te verkopen; dat partijen op 2 Juli 1949 zijn overeengekomen dat deze verkoop zou doorgaan, dat [verweerder] de opbrengst zou ontvangen en aan Sio zou betalen de waarde van de goederen, welke volgens — nader te sluiten — overeenkomst van partijen of rechterlijk gewijsde op 2 Juli 1949 eigendom van Sio waren; dat partijen het geschil niet in der minne kunnen regelen; dat de sub I tot en met III bedoelde goederen hebben opgebracht onderscheidenlijk f. 1426,-, f. 6600,- en f. 6104,- en dat [verweerder] de sub IV bedoelde goederen ter waarde van f. 278 tot zich heeft genomen;
dat [verweerder], de vordering van Sio bestrijdende, onder meer heeft gesteld: dat hij op 11 October 1946 aan [getuige 5] en 5 anderen f. 25000 heeft ter leen verstrekt ten behoeve van hun bedrijf van fabricage van speelgoederen en daarbij werd overeengekomen, dat hem tot meerdere zekerheid in fiduciairen eigendom werden overgedragen alle machinerieën en voorraden, welke zich in het bedrijf bevonden, terwijl machinerieën, werktuigen en voorraden, welke gedurende het bestaan van de schuld ter vervanging van het overgedragene of hoe dan ook in het bedrijf zouden komen, onmiddellijk aan hem, [verweerder], zouden worden overgedragen; dat de sub I genoemde goederen alle zijn vermeld in een schriftelijke akte van 11 October 1946, waarin de gestelde overeenkomst voorlopig summier werd neergelegd; dat de sub II genoemde Bridgeportmachine nooit eigendom van [getuige 5] of een zijner compagnons is geweest, doch door hem, [verweerder], van [getuige 5] cum suis is gekocht ter gelegenheid van de aflevering en aan den importeur betaald waarna zij door hem, [verweerder], aan [getuige 5] cum suis werd verhuurd;
dat bij repliek Sio nog heeft aangevoerd dat [A] (onder welke firma [getuige 5] optrad) de Bridgeportmachine volgens contract niet alleen mocht doch ook moest overnemen, hebbende [getuige 5] daarvoor het bedrag ad f. 5231,56 ook inderdaad betaald, terwijl [verweerder] bij repliek heeft ontkend dat [A] ([getuige 5]) de machine voor den aangegeven prijs zou hebben overgenomen;
dat de Rechtbank bij interlocutoir vonnis van 27 Juni 1950 [verweerder] heeft toegelaten te bewijzen: a. dat boven de acte van 11 October 1946 tussen partijen werd overeengekomen dat de daarin vermelde goederen in bruikleen bleven bij de schuldenaren; b. dat boven die acte eveneens was overeengekomen dat alle machines die nog in het bedrijf zouden komen, geacht zouden worden te vallen onder de eigendomsoverdracht tot zekerheid; c. dat de bij dagvaarding sub III genoemde goederen na het tot stand komen der eigendomsoverdracht tot zekerheid in het bedrijf zijn gekomen;
dat de Rechtbank bij vonnis van 29 Mei 1951 [verweerder] geslaagd heeft geacht in het hem sub a en c opgedragen bewijs, doch niet in dat sub b en vervolgens voor recht heeft verklaard: dat Sio op 2 Juli 1949 eigenares was van de bij dagvaarding genoemde goederen sub II, III en IV (omtrent welke laatste partijen waren overeengekomen dat deze, gesteld op een waarde van f. 225, voor deze procedure gelijk waren te stellen met de sub III genoemde) en [verweerder] heeft veroordeeld aan Sio een bedrag van f. 12.929 te betalen;
dat van beide vonnissen [verweerder] in appèl is gekomen, terwijl ook Sio daartegen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld;
dat het Hof bij het bestreden arrest heeft overwogen:
1) ‘’dat de eerste grief van [verweerder] tegen het interlocutoir vonnis is gericht en hij daarbij heeft aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte bij dit vonnis de eigendom van de, bij de inleidende dagvaarding sub II genoemde Bridgeportmachine met toebehoren aan Sio heeft toegekend, en wel door