Uitspraak
[X] te [Z]tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen of aldaar van 10 November 1952 betreffende den hem opgelegden aanslag in de personele belasting voor het belastingjaar 1950/1951;
Hoge Raad
Belanghebbende was in dienst van een stichting die eigendom en beheer voerde over een Rooms-Katholieke begraafplaats. Voor het belastingjaar 1950/1951 werd hem een aanslag opgelegd op basis van de huurwaarde van een perceel dat hij bewoonde vanwege zijn dienstbetrekking bij deze stichting.
Belanghebbende voerde aan dat de stichting een onderdeel was van het Rooms-Katholieke Kerkgenootschap en dat daarom de huurwaarde moest worden vastgesteld op 12% van zijn inkomen, conform artikel 11 van Pro de Wet op de Personeele Belasting 1896. De inspecteur en de Raad van Beroep oordeelden echter dat de stichting een zelfstandige rechtspersoon is en niet als kerkgenootschap kan worden aangemerkt.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel. De stichting, hoewel opgericht door de Rooms-Katholieke parochies en organisatorisch verbonden, is zelfstandig en neemt zelfstandig deel aan het rechtsverkeer. De stichting vormt geen kerkgenootschap of kerk in de zin van de wet. De interne kerkelijke regeling verandert hieraan niets.
Daarom is de aanslag terecht opgelegd op basis van de werkelijke huurwaarde en niet op grond van het verlaagde tarief voor personen in dienst van een kerkgenootschap. Het beroep van belanghebbende werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de stichting geen kerkgenootschap is en de aanslag op de huurwaarde terecht is opgelegd.