Uitspraak
eerstemiddel — onder erkenning dat het voormalige Nederlands Indië (Indonesië) was een rechtspersoon, welker eigendommen, baten en lasten van die van den Staat der Nederlanden gescheiden waren en voor de betaling van welker schulden die Staat niet aansprakelijk was — wordt gesteld, dat na de souvereiniteitsoverdracht een verantwoordelijkheid van den Staat moet worden aangenomen voor de niet-uitvoering van Indonesisch recht, hetwelk de verhouding regelde tussen de voormalige Overheid en haar ambtenaren;
tweedemiddel onder b wordt gesteld dat het Hof deze stelling niet zou hebben behandeld; dat deze bewering echter feitelijken grondslag mist, immers het Hof zich over die stelling heeft uitgesproken, in het bijzonder ook met een beroep op de artikelen 4, eerste lid, van de Overgangsovereenkomst en 25 aanhef en onder D van de Financiële en Economische Overeenkomst, beroep hetwelk in het
tweedemiddel onder
a) en
c) wordt bestreden;
eerstemiddel gevoerde stelling bij pleidooi is aangevoerd: dat de Overheid, die vóór de souvereiniteitsoverdracht het bewind over Indonesië voerde en die door het onbetaald laten van de bedoelde salarissen een onrechtmatigen toestand heeft geschapen, niet meer bestaat, en het met de Nederlandse souvereiniteit van vóór 27 December 1949 in strijd zou zijn om aan te nemen, dat de Republiek voor dien onrechtmatigen toestand verantwoordelijkheid zou moeten dragen; dat de Republiek een zodanige verantwoordelijkheid ook niet op zich heeft genomen bij de overeenkomsten der Ronde Tafel Conferentie; dat het niet mogelijk is, dat die verantwoordelijkheid op geen enkele overheid zou rusten; dat die verantwoordelijkheid dus sinds de souvereiniteitsoverdracht moet rusten op de Nederlandse Regering;
cmet een beroep op die regelen van volkenrecht is aangevoerd, dat in artikel 4, eerste lid, de onderhavige schuld niet begrepen kan worden geacht, omdat hier sprake zou zijn van een schuld uit onrechtmatige daad, hoedanige zogenaamde ‘’odieuse" schuld naar regelen van volkenrecht niet in een overgang als waarvan te dezen sprake is zou zijn vervat;
tweedemiddel onder
a) voorts is gesteld, dat — al zou dan ook door de artikelen 4 en 25 D. voormeld de schuld op de Republiek rusten — daarnaast de in het eerste middel gestelde aansprakelijkheid van den Nederlandsen Staat zou gelden;