Uitspraak
[X], gevestigd te
[Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen te
Groningenvan 3 Mei 1956 betreffende den haar opgelegden aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1954;
eerstegrief faalt, aangezien daarbij wordt opgekomen tegen een feitelijke beslissing van den Raad van Beroep, welke in cassatie niet op haar juistheid kan worden getoetst;
tweedegrief eveneens vruchteloos is voorgedragen, daar zij is gericht tegen een door den Raad ten overvloede gegeven overweging;
derdegrief ongegrond is, omdat, wat er zij van de opvatting van den Leidraad, waarop belanghebbende een beroep doet, voor de toepassing van den investeringsaftrek de onderhavige tegels niet op één lijn kunnen worden gesteld met buizen, kabel- en geleidingnetten, immers deze laatste zaken niet dienen ter verbetering van den grond, waarin zij worden aangebracht, terwijl de tegels daarentegen dienen tot verbetering van belanghebbendes emplacement;
vierdegrief geen doel treft, aangezien, al moge de betegeling van belanghebbendes bedrijfsterrein een modernisering van haar outillage hebben betekend, de bepaling van het derde lid van artikel 8a van het Besluit op de Inkomstenbelasting nu eenmaal den investeringsaftrek niet toestaat ter zake van de verbetering van ongebouwde eigendommen, terwijl de aanschaffing van de losse tegels niet op zichzelf, buiten verband met het doel waarvoor zij werden aangeschaft, als de verwerving van roerende bedrijfsmiddelen kan worden aangemerkt;