Uitspraak
[X], te
[Z], tegen de uitspraak van het Gerechtshof van
Arnhemvan 3 April 1959 betreffende den hem opgelegden aanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1957;
Hoge Raad
In deze zaak is door belanghebbende cassatie ingesteld tegen het oordeel van het Gerechtshof dat vastgestelde, doch nog niet betaalbaar gestelde dividenden op 1 januari 1957 behoren tot het belastbaar vermogen voor de vermogensbelasting. Belanghebbende stelde dat deze dividenden als burgerlijke vruchten niet tot het vermogen gerekend kunnen worden zolang zij niet opeisbaar zijn, en dat zij onder de vrijstelling van artikel 6, letter f, van de Wet op de Vermogensbelasting 1892 zouden vallen.
Het Hof had geoordeeld dat door de vaststelling van dividend een zelfstandige vordering ontstaat die een schuld van de naamloze vennootschap aan de aandeelhouder vormt en dat deze vordering een zelfstandige zaak is die deel uitmaakt van het vermogen. Ook oordeelde het Hof dat de vrijstelling van artikel 6, letter f, niet ziet op vastgestelde dividenden, maar op nog niet vorderbare termijnen van inkomsten zoals rentecouponbewijzen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Raad stelde dat de dividendvordering, ook al is deze nog niet opeisbaar, een zelfstandige zaak met geldswaarde is en daarom tot het vermogen behoort. De uitzondering in artikel 6, letter f, is bedoeld voor termijnen van inkomsten die nog niet vorderbaar zijn en periodiek worden uitgekeerd, maar niet voor reeds vastgestelde dividenden. Daarmee is het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat vastgestelde maar nog niet betaalbaar gestelde dividenden deel uitmaken van het belastbaar vermogen.