ECLI:NL:HR:1968:AB3472
Hoge Raad
- Cassatie
- de Jong
- Hülsmann
- Dubbink
- Beekhuis
- van der Linde
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige uitlatingen over werknemer en beoordeling spoedeisend belang
Eiser, voormalig supervisor bij een eenmansbedrijf, werd op staande voet ontslagen, wat hij onrechtmatig achtte. Verweerder deed in diverse dagbladen beledigende en onware uitlatingen over eiser, die zijn eer en goede naam aantasten. Eiser vorderde in kort geding een verbod op verdere beledigende uitlatingen.
De president van de rechtbank kende eiser deels gelijk en stelde vast dat eiser een spoedeisend belang had bij het verbod vanwege het temperament van verweerder en de kans op herhaling. Verweerder ging in hoger beroep, waarbij het hof het vonnis van de president vernietigde en de vordering afwees, stellende dat het gevaar van herhaling gering was.
Eiser stelde cassatie in tegen het arrest van het hof, stellende dat het hof ten onrechte ambtshalve afweek van het oordeel van de president over het spoedeisend belang zonder dat daartegen in appel was gegriefd. De Hoge Raad oordeelde dat de president en het hof ambtshalve het spoedeisend belang moeten onderzoeken, maar dat het hof niet vrij was om zonder grief van verweerder van het oordeel van de president af te wijken. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof ten onrechte het vonnis van de president vernietigde en de vordering van eiser afwees.