Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 5 juni 1970 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1966;
Hoge Raad
Belanghebbende was aangeslagen in de inkomstenbelasting over 1966, waarbij een herkapitalisatiedividend op oprichtersbewijzen deels werd belast tegen het bijzondere tarief van artikel 58 Wet Pro IB 1964, na aftrek van een evenredig deel van persoonlijke verplichtingen en giften. Het Gerechtshof bevestigde deze toepassing van de wet.
Belanghebbende stelde cassatie in met het verweer dat artikel 58 Wet Pro IB 1964 niet voorziet in een dergelijke evenredige aftrek, anders dan artikel 57, en dat de wetgever juist een afwijkende regeling beoogde om herkapitalisatie te faciliteren.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 58 een Pro zelfstandige regeling bevat die het herkapitalisatiedividend volledig belast tegen 20%, zonder toepassing van de regels voor evenredige aftrek die gelden bij artikel 57. Dit sluit aan bij de strekking van de wet om fiscale faciliteiten te bieden en het draagkrachtbeginsel niet te laten gelden bij deze inkomsten.
De bestreden uitspraak en de aanslag werden vernietigd en verminderd tot een aanslag waarbij het volledige herkapitalisatiedividend wordt belast tegen 20%.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en vermindert de aanslag tot volledige belasting van het herkapitalisatiedividend tegen 20% zonder aftrek.