AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toepasselijkheid van de Huurwet op overeenkomsten huisvesting gastarbeiders
In deze zaak stond de vraag centraal of overeenkomsten betreffende de huisvesting van buitenlandse gastarbeiders onder de bepalingen van de Huurwet vallen. De Rechtbank Rotterdam had geoordeeld dat deze wet van toepassing was, ondanks dat de huurders het slaapvertrek moesten delen met meerdere personen en ook gemeenschappelijke voorzieningen gebruikten.
De Hoge Raad overwoog dat de betekenis van huur en verhuur in de Huurwet moet worden uitgelegd aan de hand van artikel 1584 vanPro het Burgerlijk Wetboek, maar dat de strekking van de Huurwet, die gericht is op bescherming van woningzoekenden vanwege schaarste aan woonruimte, doorslaggevend is bij grensgevallen. Ook gedeeld gebruik van woonruimte kan onder de Huurwet vallen.
De Hoge Raad stelde vast dat de overeenkomsten meer omvatten dan alleen het gebruik van onroerend goed, zoals levering van gas, licht, water en beddegoed. Dit sluit niet uit dat het huurkarakter behouden blijft. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de toepasselijkheid van de Huurwet op deze overeenkomsten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de bepalingen van de Huurwet van toepassing zijn op de huisvestingsovereenkomsten van gastarbeiders.
Uitspraak
15 maart 1974
Req.nr. 4397
E.K.
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien de bovenstaande voordracht en vordering van de Procureur-Generaal Langemeijer, strekkende tot vernietiging in het belang der wet van een beschikking van de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam van 22 november 1972, gegeven tussen [verzoeker 1] en drie andere verzoekers, allen wonende te [woonplaats] , enerzijds en [verweerder] , eveneens wonende te [woonplaats] , anderzijds;
Gezien de bestreden beschikking;
Overwegende omtrent het voorgestelde middel:
dat volgens de vaststelling van de Rechtbank [verzoekers] ingevolge de door hen met [verweerder] gesloten overeenkomsten ieder tegen vooruitbetaling van ƒ 20,-- per week het gebruiksrecht hadden van één der slaapvertrekken (inclusief van een zich daarin bevindend bed met bijbehorende bergruimte) zij het dat de betrokkene het gebruiksrecht van het bedoelde slaapvertrek veelal moest delen met maximaal drie andere personen, terwijl ieder van hen het medegebruik (met maximaal 15 andere personen) had van de recreatieruimte, keuken, toiletruimte en douche, zijnde bij de genoemde prijs tevens inbegrepen de levering van gas, licht en water, alsmede de kosten van verwarming en het in gebruik geven en verschonen van beddegoed;
dat het cassatiemiddel mede blijkens de toelichting de strekking heeft, te betogen dat de Rechtbank ten onrechte op deze overeenkomsten de bepalingen van de Huurwet, meer in het bijzonder die betreffende de vaststelling van de verschuldigde prijs, toepasselijk heeft verklaard;
dat, hoewel ten aanzien van hetgeen in de Huurwet onder huur en verhuur moet worden verstaan behoort te worden uitgegaan van de betekenis die deze termen hebben in artikel 1584 vanPro het Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder bij de beoordeling van grensgevallen de strekking van de Huurwet de doorslag zal hebben te geven;
dat de Rechtbank dit uitgangspunt niet uit het oog heeft verloren, immers het genot dat bij een huurovereenkomst in de zin van artikel 1584 dePro ene partij aan de andere belooft te verschaffen, beperkt kan zijn, en deze beperking ook kan inhouden dat het genot van de zaak met anderen moet worden gedeeld;
dat voor het antwoord op de vraag, of in een zodanig geval nog sprake is van een huurovereenkomst waarop de bepalingen van de Huurwet met het oog op de strekking van die wet moeten worden toegepast, in aanmerking moet worden genomen dat, voor zover hier van belang, de wetgever met de Huurwet een in verband met de schaarste aan woonruimte noodzakelijk geachte bescherming heeft willen geven aan woningzoekenden; dat deze strekking meebrengt dat ook degenen die woonruimte behoeven en die bereid zijn genoegen te nemen met een met anderen gedeeld genot van aangeboden woonruimte door de Huurwet beschermd worden;
dat voorts uit artikel 9 vanPro de Huurwet blijkt dat deze wet ook van toepassing is op huur en verhuur die meer omvat dan het enkele gebruik van een onroerend goed; dat wat de overeenkomsten tussen [verzoekers] en [verweerder] naar de vaststelling door de Rechtbank aldus meer omvatten, niet van dien aard is dat aan deze overeenkomsten het karakter van huur en verhuur in de zin van de Huurwet zou moeten worden ontzegd;
dat uit een en ander volgt dat de Rechtbank zonder miskenning van artikel 1 ofPro van enig ander artikel van de Huurwet heeft kunnen beslissen dat de bepalingen van de Huurwet van toepassing zijn op de betreffende overeenkomsten;
dat het middel derhalve niet gegrond is;
Verwerpt het beroep.
Gedaan en gewezen te ’s-Gravenhage de vijftiende maart 1900 vier en zeventig, bij Mrs. Wiarda, President, de Meijere, Hollander, Minkenhof en Drion, Raden, in tegenwoordigheid van de Griffier Reyers.