ECLI:NL:HR:1976:AB6404
Hoge Raad
- Cassatie
- Wiarda
- Ras
- van der Linde
- Drion
- Köster
- Rechtspraak.nl
Herziening beding legaat schilderijencollectie wegens museumplaatsing
De gemeente Amsterdam verzocht de Hoge Raad om een testamentair beding te laten vervallen dat bepaalde dat een schilderijencollectie, gelegateerd door [A] in 1847, steeds bij elkaar moest blijven. Dit verzoek volgde op het feit dat de collectie sinds 1880 in bruikleen was gegeven aan het Rijksmuseum, maar vanwege ruimtegebrek en moderne tentoonstellingsopvattingen niet meer geheel bij elkaar kon worden gehouden.
Na overleg tussen de gemeente en het Rijk werd overeenstemming bereikt om een deel van de collectie in het Rijksmuseum te houden en een ander deel over te brengen naar het Amsterdams Historisch Museum. De Hoge Raad oordeelde dat het oorspronkelijke beding niet geheel vervallen kon worden verklaard, maar wel herzien kon worden in het algemeen belang, zodat de collectie gesplitst mag worden over de twee musea.
De herziening sluit zoveel mogelijk aan bij de bedoeling van de erflater en waarborgt dat de collectie voor het publiek toegankelijk blijft. De Hoge Raad maakte gebruik van de wettelijke bevoegdheid om het beding aan te passen zonder het geheel te laten vervallen.
Uitkomst: Het testamentaire beding wordt herzien zodat de schilderijencollectie gesplitst mag worden tussen het Rijksmuseum en het Amsterdams Historisch Museum.