AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep wegens te laat instellen niet onterecht
De rekwirant werd door het Gerechtshof niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar wegens diefstal met geweld. Hij stelde dat het te laat instellen van het hoger beroep niet aan hem te wijten was, maar aan fouten van ambtenaren die de volmacht niet tijdig doorzonden.
De Hoge Raad overwoog dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep geen aanwijzingen bevatte dat dit betoog door het hof was overwogen of vastgesteld. Hierdoor ontbrak een feitelijke grondslag voor het middel van cassatie.
Daarom werd het beroep verworpen en bleef de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep gehandhaafd. De uitspraak benadrukt het belang van de wettelijke termijnen en dat ambtelijke fouten niet zonder meer leiden tot ontvankelijkheid als het hof deze niet heeft vastgesteld.
De zaak illustreert de strikte toepassing van procesrechtelijke termijnen en de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het toetsen van feitelijke vaststellingen van lagere rechters.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring wegens te laat instellen van hoger beroep.
Uitspraak
1 februari 1977
Nr. 68597
LG
De Hoge Raad der Nederlanden,
Op het beroep van [rekwirant], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring I te Haarlem, rekwirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdamvan 10 september 1976, waarbij de rekwirant niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 6 mei 1976, bij welk vonnis de rekwirant wegens ‘’diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van een jaar en zes maanden;
Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur;
Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald;
Gelet op het middel van cassatie, namens de rekwirant door Mr. J.E. van Katwijk-Rutgers, advocaat te Amsterdam, voorgesteld bij schriftuur, luidende:
‘’Schending of verkeerde toepassing van het Nederlandse Recht en niet in acht nemen van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen doordat het Gerechtshof te Amsterdam de requirant van cassatie in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard hoewel de raadsman van requirant ter zitting van het Gerechtshof heeft betoogd, dat het te laat opmaken van de akte in hoger beroep ter griffie van de Arrondissements-Rechtbank te Haarlem nimmer aan requirant te wijten kan zijn, omdat deze tijdig tegen dit vonnis in beroep is gekomen, te weten op 20 mei 1976. Hij heeft dit hoger beroep ingesteld door op genoemde datum een volmacht tot het instellen van hoger beroep te overhandigen aan een ambtenaar van de administratie van het Huis van Bewaring I te Haarlem waar requirant in cassatie in voorlopige hechtenis verbleef, welk verweer impliceert dat het te laat instellen van hoger beroep uitsluitend is te wijten aan een reeks tekortkomingen van functionarissen der overheid.
Toelichting: Requirant in cassatie was gedetineerd in het Huis van Bewaring I te Haarlem, alwaar hij rechtens van zijn vrijheid was beroofd.
De enige wijze waarop hij een rechtsmiddel kon aanwenden tegen een door de strafrechter te zijnen laste gegeven beslissing als boven omschreven was het tijdig afgeven van een bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 450 eerstePro lid onder b Sv. aan een functionaris van de inrichting waarin hij was gedetineerd. Dit heeft hij tijdig gedaan doch de functionaris heeft verzuimd deze volmacht door te zenden naar de Strafgriffie van de Arrondissements-Rechtbank te Haarlem, zodat het aan een ambtelijke fout te wijten is, dat die volmacht eerst één dag na afloop van de door de wet voor aanwending van het rechtsmiddel voorgeschreven termijn is ingekomen ter genoemde griffie.
Requirant in cassatie kan niet aanvaarden dat hij aldus van bedoeld rechtsmiddel verstoken blijft’’;
Gehoord de Advocaat-Generaal Remmelink in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het ingestelde beroep;
Overwegende dat het Hof ter motivering van zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de rekwirant in zijn hoger beroep heeft overwogen, dat door het onderzoek is gebleken, dat dit hoger beroep niet is ingesteld binnen de bij de wet voorgeschreven termijn;
Overwegende omtrent het middel:
dat het proces-verbaal der terechtzitting in hoger beroep niets inhoudt omtrent het in het middel vermelde betoog en het Hof aangaande de feiten en omstandigheden, welke daarbij zouden zijn aangevoerd, ook niets heeft vastgesteld, zodat het middel wegens gemis aan feitelijke grondslag niet kan slagen;
Verwerpt het beroep.
Gewezen te ’s-Gravenhage bij Mrs. Moons, Vice-President, Fikkert, Bronkhorst, Royer en Van den Blink, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend en door voornoemde Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de eerste februari 1900 zeven en zeventig in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Kist.