Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 28 mei 1976 betreffende de aan
[X]te
[Z]opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1973;
Hoge Raad
Belanghebbende had een stichting opgericht en met deze stichting een lijfrenteovereenkomst gesloten waarbij hij premies betaalde in ruil voor toekomstige lijfrente-uitkeringen. De Inspecteur weigerde de aftrek van deze premies omdat hij meende dat de stichting geen zelfstandig vermogen had en dat belanghebbende feitelijk de beschikking over de gelden behield.
Het Hof stelde vast dat de stichting rechtsgeldig was opgericht en een onafhankelijk bestuur had, ondanks de nauwe banden tussen bestuurders en belanghebbende. Het Hof oordeelde dat de premies het vermogen van belanghebbende hadden verlaten en kwalificeerden als aftrekbare lijfrentepremies.
De Staatssecretaris stelde cassatie in en voerde aan dat de stichting slechts een schijnconstructie was en dat de premies niet als aftrekbare kosten konden gelden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het Hof dat de stichting een zelfstandig rechtspersoon is en dat de premies aftrekbaar zijn als lijfrentepremies volgens de wet.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aftrek van de lijfrentepremie wordt bevestigd.