Belanghebbende is van mening dat op het moment van vaststelling van het dividend (welke in dit geval samenviel met het moment van betaalbaarstelling), moet worden bepaald op welk bedrag de deelnemingsvrijstelling moet worden toegepast. Immers, dat is in ieder geval het vorderingsrecht ontstaan, zodat het dividend tot de winst is gaan behoren. Latere gebeurtenissen die waardefluctuaties veroorzaken, dragen bij tot de belastbare winst van de moedermaatschappij op dezelfde voet als elke andere vordering (zie ook de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 juni 1967, B.N.B. 1967/240). Als verdere illustratie moge dienen het geval waarbij betaalbaarstelling van enig dividend in het ene boekjaar plaatsvindt en de ontvangst van de dividendvordering in enig volgend boekjaar. Naar het oordeel van het Gerechtshof zal dan (indien de vordering in waarde toeneemt en/of afneemt) van "naijlend" dividend sprake zijn, omdat de in het latere jaar gerealiseerde koersstijging onder de voordelen van artikel 13, lid 1, van de Wet dient te worden gebracht.
Deze opvatting echter veroorzaakt dat meer of minder winst wordt vrijgesteld bij de moedermaatschappij dan door de dochtermaatschappij als dividend beschikbaar is gesteld, hetgeen naar de mening van belanghebbende in strijd is met doel en strekking van de deelnemingsvrijstelling.
Er kan voorts gedacht worden aan de consequenties die de methode, welke het Gerechtshof voorstaat, heeft bij verkoop van een deelneming, waarbij (een gedeelte van) de koopsom in buitenlandse valuta te vorderen blijft.
Toepassing van de opvatting van het Gerechtshof te dezer zake leidt ertoe dat mogelijke waardeveranderingen van deze vorderingen vallen onder het begrip voordelen ex artikel 13, lid 1, vennootschapsbelasting 1969, omdat de Wet immers geen onderscheid maakt tussen dividenden (dividendvorderingen) en andere voordelen uit hoofde van een deelneming (vorderingen uit hoofde van verkoop van de deelneming). Ook in dit geval wordt meer winst tot de voordelen uit hoofde van een deelneming gerekend dan de in de dochtermaatschappij aanwezige winst, waarbij nog komt dat in dit geval de verkopende maatschappij geen vordering heeft op een dochtermaatschappij, doch op een derde.
Naar de mening van belanghebbende dient dan ook het voordeel uit hoofde van een deelneming te worden bepaald op het bedrag dat ten tijde van het ontstaan van het vorderingsrecht aan het dividend (dan wel de verkoopprijs) moet worden toegekend. Op dat moment immers vindt binnen het vermogen van de tot het dividend gerechtigde een overgang plaats van de deelnemingssfeer naar de vorderingensfeer en voor beide sferen bestaat een verschillend fiscaal regime. Dit verschil in fiscale behandeling heeft de wetgever onderkend en geaccepteerd voor vorderingen ontstaan uit hoofde van geldleningen verstrekt aan dochtermaatschappijen en het valt niet in te zien, dat vorderingen ontstaan uit andere hoofde een andere fiscale behandeling zouden moeten ondergaan, omdat immers de oorzaak van de vordering niet relevant is, maar de rechtsverhouding zelve. Dit klemt temeer nu de door het Gerechtshof voorgestane methode medebrengt dat vorderingen op derden, verkregen uit hoofde van verkoop van een deelneming, fiscaal anders worden behandeld dan vorderingen op derden ontstaan uit enige andere oorzaak.";
Overwegende aangaande het eerste middel:
dat aan het middel in zijn primaire onderdeel, mede blijkens de daarop gegeven toelichting, ten grondslag ligt de opvatting, dat onder de kosten in de zin van artikel 13, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 begrepen zijn voorzienbare offers die de winst van een belastingplichtige in negatieve zin beïnvloeden en dat daartoe behoren alle voor- en nadelen die bij een belastingplichtige opkomen op grond van enige gekozen wijze van financieren;
dat deze opvatting echter geen steun vindt in de Wet of in de geschiedenis van haar totstandkoming;
dat immers reeds het gebruik van de term kosten erop duidt dat de wetgever in artikel 13, lid 4, daarbij niet het oog heeft gehad op al hetgeen op de winst in aftrek kan worden gebracht;
dat dit in zover bevestiging vindt in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13, lid 4, dat de voorbeelden van kosten welke in de Memorie van Toelichting (pagina 20, rechter kolom) zijn gegeven, niet betrekking hebben op in het algemeen in verband met de deelneming geleden verliezen doch uitsluitend op in verband daarmee gedane lopende uitgaven, zoals renten wegens financiering van schulden en beheerskosten;
dat verliezen, geleden als gevolg van een wijziging in de valutaverhoudingen bij de aflossing van een in verband met een deelneming aangegane geldlening dan ook niet als kosten in de zin van artikel 13, lid 4, kunnen worden aangemerkt en daaruit volgt dat indien uit een zodanige wijziging winsten zijn genoten deze niet als "negatieve kosten" in de zin van die bepaling kunnen gelden;
dat het middel in zijn primaire onderdeel derhalve niet tot cassatie kan leiden;
dat het middel in zijn subsidiaire onderdeel opkomt tegen een juiste rechtsbeslissing, die niet met vrucht met een motiveringsklacht kan worden bestreden, zodat dit onderdeel evenmin kan slagen;
Overwegende aangaande het tweede middel:
dat naar 's Hofs vaststelling beide partijen het standpunt hadden ingenomen dat de in dit middel genoemde kosten niet aftrekbaar waren op grond van artikel 13, lid 4;
dat kennelijk aan het Hof geen feiten zijn gebleken waaruit zou moeten worden afgeleid dat dit standpunt op een onjuiste rechtsopvatting berustte;
dat derhalve het Hof buiten de rechtsstrijd zou zijn getreden door ambtshalve te onderzoeken of niet eventueel een deel van die kosten toch aftrekbaar zou zijn;
dat een beroep op een gedeeltelijke aftrekbaarheid van bedoelde kosten niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan, daar dit een onderzoek van feitelijke aard zou vergen;
dat mitsdien ook het tweede middel geen doel treft;
Overwegende aangaande het derde middel:
dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt dat het aan belanghebbende op de aandelen B over het boekjaar 1972/1973 toegekende, in lires vastgestelde, dividend, omgerekend in Nederlandse guldens, ƒ 304.500,-- bedroeg en dat belanghebbende bij de uitbetaling van dit dividend - welke uitbetaling geschiedde door transfer naar een guldensrekening van belanghebbende bij een bank hier te lande - als gevolg van een koersdaling ƒ 295.080,-- derhalve ƒ 9.420,-- minder dan genoemd bedrag van ƒ 304.500,-- ontving;
dat het Hof, hiervan uitgaande, in navolging van de Inspecteur het door belanghebbende uit hoofde van de onderhavige deelneming genoten voordeel heeft gesteld op voormeld bedrag van ƒ 295.080,--;
dat het middel deze beslissing terecht bestrijdt;
dat uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding immers niet blijkt, dat ten processe is gesteld of is komen vast te staan dat het dividend na de toekenning daarvan ten gevolge van een met de deelneming verband houdende oorzaak niet naar Nederland had kunnen zijn overgemaakt;
dat de tussen de tijdstippen van toekenning en van uitbetaling ingetreden daling van de in guldens uitgedrukte waarde van het door belanghebbende genoten voordeel uit deelneming dan ook niet kan worden aangemerkt als een met de deelneming verband houdende kosten in de zin van artikel 13, lid 4, van de Wet;
dat het door het Hof vastgestelde belastbare bedrag van ƒ 15.316,-- derhalve met ƒ 9.420,-- moet worden verminderd;
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 5.895,--.
Gedaan bij de Heren Vroom, Vice-President, Van der Ven, Wiersma, Antal en Stol, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de twintigste april 1900 zeven en zeventig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Pieters.