ECLI:NL:HR:1978:AC6217
Hoge Raad
- Cassatie
- Dubbink
- van Dijk
- Drion
- Snijders
- Köster
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid van de Staat wegens onrechtmatige rechtspraak door Centrale Raad van Beroep
Eiser werd ontslagen als lid van de Octrooiraad wegens plichtsverzuim, omdat hij weigerde door de voorzitter opgedragen werkzaamheden uit te voeren. Na afwijzing van zijn beroep bij het Ambtenarengerecht en bevestiging daarvan door de Centrale Raad van Beroep, verzocht eiser meerdere malen om herziening, welke verzoeken werden afgewezen.
Eiser stelde dat de Centrale Raad van Beroep fundamentele rechtsbeginselen had geschonden, waaronder het niet motiveren van de bevoegdheid van de voorzitter en het aantasten van zijn goede naam door beschuldigingen van plichtsverzuim. Hij vorderde schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige rechtspraak.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen af, stellende dat de beslissingen van de Centrale Raad van Beroep niet op motivering kunnen worden getoetst en dat geen sprake was van een oneerlijke of partijdige behandeling zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en oordeelt dat alleen bij fundamentele schendingen van het recht en indien geen rechtsmiddel openstaat, aansprakelijkheid van de Staat kan worden aangenomen. De klachten van eiser slagen niet, en het beroep wordt verworpen met veroordeling van eiser in de kosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de Staat is niet aansprakelijk voor de onjuiste motivering of behandeling door de Centrale Raad van Beroep.