ECLI:NL:HR:1979:AB7316
Hoge Raad
- Cassatie
- Dubbink
- Minkenhof
- Drion
- Haardt
- De Groot
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsvermoeden van overlijden na vermissing met toepassing van levensverwachtingstabellen
Verzoekers hebben bij de rechtbank verzocht om een rechtsvermoeden van overlijden van hun vermiste familielid, geboren in 1899, uit te spreken. Na meerdere oproepingen en publicaties in kranten bleef de vermiste onvindbaar en onzichtbaar. De rechtbank stelde het rechtsvermoeden in op 1 januari 1963, gebaseerd op de laatste tijding van leven in 1962.
Het hof vernietigde deze beschikking en stelde het rechtsvermoeden op 1 januari 1972, gebruikmakend van levensverwachtingstabellen om aan te nemen dat de vermiste na de laatste tijding nog enige tijd in leven was. Verzoekers stelden cassatie in tegen deze beslissing, stellende dat het hof de wettelijke termijn van vijf jaar na de laatste tijding had overschreden en dat het hof onterecht geen nader bewijs had gelast.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de wettelijke termijn van vijf jaar niet mag overschrijden bij het bepalen van de vermoedelijke overlijdensdatum. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en stelde zelf het rechtsvermoeden vast op 1 januari 1968, vijf jaar na de laatste levenstijding. De overige klachten over bewijs en waardering van verklaringen werden verworpen. Hiermee werd duidelijk dat de wettelijke termijn strikt moet worden toegepast en dat het gebruik van levensverwachtingstabellen niet mag leiden tot overschrijding van deze termijn.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt het rechtsvermoeden van overlijden vast op 1 januari 1968, binnen de wettelijke termijn van vijf jaar na de laatste levenstijding.