ECLI:NL:HR:1979:AC2294
Hoge Raad
- Cassatie
- Dubbink
- Minkenhof
- Drion
- Haardt
- De Groot
- Rechtspraak.nl
Toepassing bepalingen huur en verhuur bedrijfsruimte op onzelfstandige woning in dienstbetrekking
In deze zaak stond centraal of de bepalingen omtrent huur en verhuur van bedrijfsruimte ook van toepassing zijn op een onzelfstandige woning die deel uitmaakt van die bedrijfsruimte en die aan een werknemer ter beschikking is gesteld als dienstwoning. De eiser werd door de verweerster, zijn werkgever, gedagvaard om de dienstwoning boven een restaurant te ontruimen. De rechter in eerste aanleg wees de vordering af omdat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het gebruik van de woning onderdeel was van de arbeidsvoorwaarden.
Het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat sprake was van een dienstwoning die de werknemer in verband met zijn functie als bedrijfsleider moest bewonen. De woning was kosteloos ter beschikking gesteld en verweven met de bedrijfsruimte, waardoor het recht op gebruik verviel bij het einde van de dienstbetrekking.
De eiser stelde cassatie in met het middel dat de woning als onzelfstandige woning onderdeel was van de bedrijfsruimte en derhalve onder de regels van huur en verhuur van bedrijfsruimte viel, met inachtneming van opzegtermijnen. De Hoge Raad verwierp dit middel en stelde dat de regels voor huur en verhuur van bedrijfsruimte niet van toepassing zijn op een overeenkomst die uitsluitend ziet op het gebruik van een onzelfstandige woning als dienstwoning.
De Hoge Raad bevestigde daarmee dat het ter beschikking stellen van een onzelfstandige woning als onderdeel van een dienstbetrekking niet automatisch onder het huurrecht van bedrijfsruimte valt, en dat het recht op gebruik eindigt bij het einde van de dienstbetrekking. De eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt verworpen; het recht op gebruik van de dienstwoning vervalt bij het einde van de dienstbetrekking.