Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 10 januari 1980 betreffende de aan
[X]te
[Z]opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1977;
Hoge Raad
Belanghebbende maakte in zijn aangifte inkomstenbelasting 1977 aftrek van studiekosten voor de avondopleiding van zijn echtgenote tot het M.A.V.O.-diploma. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat de opleiding een algemeen karakter zou hebben en niet specifiek op beroepsuitoefening gericht was. Het Hof stelde vast dat de echtgenote de M.A.V.O.-opleiding volgde met het doel een secretaresseopleiding te kunnen volgen en daarna een beroep uit te oefenen. Het Hof oordeelde dat de studiekosten daarom wel als buitengewone lasten voor een beroep konden worden aangemerkt en vernietigde de aanslag gedeeltelijk.
De Staatssecretaris stelde cassatie in met het argument dat de M.A.V.O.-opleiding een algemene persoonlijke uitrusting vergroot en niet specifiek op beroepsuitoefening is gericht, en dat dergelijke kosten niet aftrekbaar zijn. Hij verwees naar eerdere uitspraken waarin vergelijkbare opleidingen niet als beroepskosten werden aangemerkt.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat studiekosten voor een algemene opleiding wel aftrekbaar kunnen zijn indien deze worden gevolgd met het oog op een daarop aansluitende beroepsopleiding. Daarmee werd het oordeel van het Hof bevestigd en het beroep van de Staatssecretaris verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en het arrest van het Hof bevestigd.