Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 26 augustus 1980 betreffende de na te melden hem opgelegde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente Vinkeveen en Waverveen voor het jaar 1977;
37,73
Hoge Raad
Belanghebbende, eigenaar van een zomerhuis in de gemeente Vinkeveen en Waverveen, werd aangeslagen voor onroerend-goedbelasting over het jaar 1977. Hij voerde aan dat de aanslag onredelijk hoog was, met een verhoging van 294% ten opzichte van de oude belastingen die werden vervangen door de onroerend-goedbelasting. Tevens stelde hij dat het huis in de wintermaanden niet bewoond mocht worden, waardoor hij slechts voor 8/12 deel van het jaar belastingplichtig zou zijn.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende feitelijk gebruiker was van het zomerhuis en dat de waarde van het onroerend goed in het economische verkeer ten minste ƒ125.000 bedroeg. Het Hof oordeelde dat de beperking in gebruik gedurende de wintermaanden niet tot vermindering van de aanslag leidt, omdat deze beperking al in de waarde van het goed is verdisconteerd. Ook was er geen grondslag voor een aanslag naar tijdsgelang.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verwierp het cassatieberoep. De stelling dat belanghebbende op grond van gemeentelijke mededelingen mocht vertrouwen op lagere aanslagen werd niet gevolgd, omdat het Hof terecht had geoordeeld dat geen sprake was van een in rechte te honoreren vertrouwen. De aanslag werd daarmee als rechtmatig bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de aanslag onroerend-goedbelasting voor het zomerhuis rechtmatig is, ondanks het verbod op bewoning in de wintermaanden.