Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
’s-Hertogenboschvan 8 oktober 1980 betreffende de hem voor het jaar 1977 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting;
f22.921,-- op een bedrag aan – na verrekening van
f3.685,-- loonbelasting – terug te ontvangen belasting van
f823,--; dat hem vervolgens de onderwerpelijke aanslag tot navordering is opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van
f23.825,-- op een na verrekening van 2.636,-- loonbelasting – bedrag aan te betalen belasting van
f1.299,--; dat belanghebbende van de navorderingsaanslag in beroep is gekomen bij het Hof;
f823,--; “;
f904,02 en
f1.048,62 vermeld.
f823,--; wordt zij gegrond bevonden dan moet de bestreden navorderingsaanslag worden vernietigd; “;
f1.048,62 en
f904,02 aan loonbelasting en premies volksverzekeringen zijn, althans geacht moeten worden te zijn ingehouden op het in 1977 bij vorenbedoelde koppelbaas verdiende loon, alsmede de vraag op wie van partijen hier de bewijslast rust.
De Inspecteur betwist nu wel dat bedoelde inhoudingen hebben plaatsgevonden, en hij staat nu wel op het standpunt dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende die inhoudingen bewijst, maar niet alleen is belanghebbende niet in staat dat bewijs te leveren maar bovendien is het onredelijk op hem de last van die bewijslevering te leggen. Het gaat toch niet aan om in een geval als het onderhavige, waarin de betrokken werknemer geen enkele reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de hem verstrekte loonspecificatie, die werknemer, die geen toegang tot de administratie van zijn werkgever heeft, op te dragen te bewijzen dat de op die loonspecificaties vermelde inhoudingen aan loonbelasting en premies volksverzekeringen hebben plaatsgevonden, zulks nadat de enige bewijsmiddelen waarover hij beschikt en kan beschikken, namelijk de loonstroken en/of jaaropgaven, hem door de Inspecteur uit handen zijn geslagen omdat de Inspecteur wegens het ontbreken van een loonadministratie aan de juistheid van de op die bescheiden vermelde gegevens meent te moeten twijfelen.
dat de Inspecteur onder verwijzing naar zijn vertoogschrift – ten dele in afwijking daarvan – nog heeft aangevoerd:
f904,02 aan premies volksverzekeringen en
f1.048,62 aan loonbelasting is ingehouden, zich erop heeft beroepen dat in de bouwwereld niet, zoals elders, tussen de werkgevers en de werknemers een bruto-loon maar een netto-loon wordt overeengekomen;
dat dit standpunt niet juist is;
dat hetgeen belanghebbende subsidiair heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn als enige resterende grief niet tot gegrondbevinding van die grief kan leiden;
f823,--;
Door de bruto uitgekeerde bedragen tot het inkomen te rekenen, zoals het Hof heeft gedaan in navolging van de Inspecteur, wordt de uitspraak innerlijk tegenstrijdig, aangezien in dat geval netto-bedragen tot het inkomen moeten worden gerekend indien juist zou zijn dat geen inhoudingen hadden plaatsgevonden. Door de gepleegde inhoudingen niet aannemelijk te achten, behoort het Hof na te gaan of en in hoeverre daarmede is aangetoond dat het opgegeven bruto-loon gelijk is aan het werkelijk genoten netto-loon, waarvoor belanghebbende ter zitting gegevens heeft aangereikt.
dat ingevolge de artikelen 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en 63 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 met de aanslag in de inkomstenbelasting wordt verrekend de geheven loonbelasting;
dat ingevolge artikel 27, lid 1, in verbinding met artikel 1 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964 loonbelasting van de werknemer wordt geheven door inhouding op het loon;
dat het geval dat de werkgever niet voldoet aan zijn verplichting tot inhouding van loonbelasting en de werknemer te dien aanzien te goeder trouw is – dat wil zeggen: meende en ook bij inachtneming van de door hem, gelet op de omstandigheden, te betrachten zorgvuldigheid redelijkerwijze mocht menen dat de werkgever aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen – in zoverre moet worden gelijkgesteld met de gevallen waarin werkelijk loonbelasting is ingehouden, dat de – in feite niet ingehouden – loonbelasting mag worden verrekend met de aanslag in de inkomstenbelasting;
dat het immers redelijker is dat het risico dat de werkgever zijn verplichtingen veronachtzaamt ten laste van de fiscus komt dan dat het wordt gebracht ten laste van een werknemer die te goeder trouw is;
dat het Hof heeft vastgesteld: dat belanghebbende in het jaar 1977 als stucadoor in dienst is geweest van [A] B.V. te [Q] ; dat deze werkgeefster een koppelbaas is, die geen loonadministratie bezat en geen verzamelloonstaten en loonbelastingkaarten bij de Inspecteur heeft ingeleverd; dat zij geen loonbelasting en premies volksverzekeringen, betrekking hebbende op het door belanghebbende verdiende loon, aan de fiscus heeft afgedragen;
dat het Hof op de in zijn uitspraak vermelde gronden niet aannemelijk heeft geoordeeld dat zodanige loonbelasting en premies zijn ingehouden – dat wil zeggen afgezonderd voor latere afdracht op aangifte – noch ook dat belanghebbende, zoals hij had gesteld, erop kon en mocht vertrouwen bij een bonafide werkgever in dienst te zijn getreden;
f1.048,62 en
f904,02 niet zijn aan te merken als “geheven loonbelasting” in de vorenbedoelde zin, onderscheidenlijk als premies volksverzekeringen welke als persoonlijke verplichting op belanghebbendes onzuiver inkomen in mindering moeten worden gebracht;
f823,-- berust op de – naar ’s Hofs vaststelling – eensluidende opvatting van partijen, het door belanghebbende met betrekking tot de omvang van het in aanmerking te nemen loon aangevoerde geen doel kan treffen;