Uitspraak
17 september 1982.
Hoge Raad
In deze zaak vorderde verweerder een rechterlijk verbod tegen eisers om het storten van tuinafval en soortgelijk vuil op een perceel te staken en het aanwezige vuil te verwijderen. De rechtbank wees de vordering toe en het hof bekrachtigde dit oordeel en verklaarde eisers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen een eerder vonnis.
Eisers stelden in cassatie verschillende middelen aan de orde, waaronder de ontvankelijkheid van de vordering gezien de aanwezigheid van een administratieve rechtsgang, en de vraag of de overlast en hinder voldoende waren vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat het bestaan van een administratieve rechtsgang niet in de weg staat aan een civiele vordering tot verbod wegens onrechtmatige gedragingen.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat het hof terecht het publiekrechtelijke verbod op grond van artikel 2 van Pro de Hinderwet als grondslag voor onrechtmatigheid heeft aangenomen, ook al was niet alle overlast ten processe vastgesteld. Het belang van verweerder als eigenaar van aangrenzende percelen rechtvaardigde de gevraagde voorziening.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eisers tot betaling van de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verbod op het storten van tuinvuil wordt gehandhaafd.