ECLI:NL:HR:1982:AG4439

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 1982
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
11919
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Ras
  • vice-president Drion
  • raadsheer Haardt
  • raadsheer Martens
  • raadsheer Van den Blink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 HinderwetArt. 1401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot rechterlijk verbod wegens onrechtmatige storting van tuinvuil op aangrenzend perceel

In deze zaak vorderde verweerder een rechterlijk verbod tegen eisers om het storten van tuinafval en soortgelijk vuil op een perceel te staken en het aanwezige vuil te verwijderen. De rechtbank wees de vordering toe en het hof bekrachtigde dit oordeel en verklaarde eisers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen een eerder vonnis.

Eisers stelden in cassatie verschillende middelen aan de orde, waaronder de ontvankelijkheid van de vordering gezien de aanwezigheid van een administratieve rechtsgang, en de vraag of de overlast en hinder voldoende waren vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat het bestaan van een administratieve rechtsgang niet in de weg staat aan een civiele vordering tot verbod wegens onrechtmatige gedragingen.

Verder stelde de Hoge Raad vast dat het hof terecht het publiekrechtelijke verbod op grond van artikel 2 van Pro de Hinderwet als grondslag voor onrechtmatigheid heeft aangenomen, ook al was niet alle overlast ten processe vastgesteld. Het belang van verweerder als eigenaar van aangrenzende percelen rechtvaardigde de gevraagde voorziening.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eisers tot betaling van de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verbod op het storten van tuinvuil wordt gehandhaafd.

Uitspraak

17 september 1982
Eerste Kamer
Nr. 11.919
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: Mr. J.W. Lely,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. H.A. Groen
1. Het geding in feitelijke instanties
[verweerder] heeft bij exploot van 12 juli 1979 [eisers] gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd [eisers] ieder afzonderlijk te verbieden om na afloop van twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis nog enige tuinafval en/of tuinvuil en/of soortgelijk vuil te storten en/of te doen en/of te laten storten op het perceel te Hoek van Holland, kadastraal bekend gemeente Hoek van Holland, […], op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per overtreding voor iedere overtreding van dit verbod zijnde iedere storting van tuinvuil en/of soortgelijk vuil als een aparte overtreding aan te merken;
[eisers] ieder afzonderlijk te gebieden om binnen een maand na afloop van de datum van de betekening van het te wijzen vonnis, althans binnen een door de President in goede justitie te bepalen termijn, al het op genoemd perceel van Zegwaard aanwezige tuinvuil en/of soortgelijk vuil van diens perceel te verwijderen, respectievelijk te doen verwijderen naar elders op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag voor iedere dag, dat [eiseres 1] of Zegwaard na afloop van voormelde termijn in gebreke blijft aan dit gebod te voldoen.
Nadat [eisers] tegen die vordering verweer hadden gevoerd, heeft de President bij vonnis van 22 november 1979 een onderzoek door drie deskundigen bevolen en bij eindvonnis van 15 juli 1980 de vordering van [verweerder] in hoofdzaak toegewezen.
Tegen deze vonnissen hebben [eisers] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof 's-Gravenhage.
Bij arrest van 27 mei 1981 heeft het Hof [eisers] niet ontvankelijk verklaard in hun beroep tegen het vonnis van 22 november 1979 en het vonnis van de President van 15 juli 1980 bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Franx strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie
3.1 Middel I miskent dat aan een — niet tegen de overheid gerichte — vordering voor de gewone rechter, al of niet in kort geding, waarbij de eisende partij een rechterlijk verbod vraagt van jegens haar onrechtmatige gedragingen van gedaagde, op zichzelf niet in de weg staat dat er, bij gebruikmaking van administratiefrechtelijke rechtsgangen, ook andere wegen bestaan, waarlangs bereikt zou kunnen worden dat gedaagde ten gevolge van maatregelen van de overheid zijn gewraakte gedragingen staakt. Middel I kan daarom niet tot cassatie leiden.
3.2 Middel II richt zich in de onderdelen 3, 4 en 5 tegen een overweging in het bestreden arrest (‘’dat [eiseres 1] inmiddels niet ontvankelijk is verklaard in het beroep dat zij bij de Kroon heeft ingesteld’’ enz.), die niet dragend is voor 's Hofs beslissing, en kan in zover derhalve evenmin tot cassatie leiden.
3.3 De onderdelen 6 tot en met 15 van middel II, alsmede middel III, kunnen in verband met wat hierna wordt overwogen reeds daarom niet tot cassatie leiden, omdat zij uitsluitend betrekking hebben op twee van de drie door het Hof aangegeven redenen, op grond waarvan het van [eisers] perceel gemaakte gebruik publiekrechtelijk verboden is.
3.4 Middel IV is gericht tegen de dertiende rechtsoverweging van 's Hofs arrest.
Het middel bevat onder 5 de klacht dat het Hof de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen zou hebben overschreden en zijn taak als appelrechter zou hebben miskend door de vordering van [verweerder] toe te wijzen met terzijdestelling van de vraag of de door [verweerder] gestelde overlast en hinder zijn komen vast te staan. Deze klacht faalt. Het feit dat niet alle door een eiser aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten ten processe zijn komen vast te staan, staat niet in de weg aan toewijzing van die vordering, indien deze gedragen kan worden door de door eiser gestelde feiten die wel zijn komen vast te staan.
3.5 De overige onderdelen van middel IV — voor zover zij klachten bevatten — richten zich met materiële of motiveringsklachten tegen 's Hofs in de dertiende rechtsoverweging uitgedrukte oordeel: dat [verweerder], als eigenaar en exploitant van de aangrenzende percelen, een onder de bescherming van artikel 1401 van Pro het Burgerlijk Wetboek vallend belang heeft dat het in rechtsoverweging 12 aangegeven publiekrechtelijke verbod wordt nageleefd, dat dit belang de gevraagde voorziening rechtvaardigt, en dat — zoals de rechtsoverweging kennelijk moet worden begrepen — hieraan niet in de weg zou staan dat de overlast en hinder in de omvang als door [verweerder] gesteld, niet ten processe zouden zijn komen vast te staan.
Voor zover het middel van een andere lezing van genoemde rechtsoverweging uitgaat, mist het feitelijk grondslag. Voor zover het zich keert tegen 's Hofs oordeel als hiervóór weergegeven, falen de daartegen aangevoerde klachten.
Wanneer iemand in strijd met artikel 2 van Pro de Hinderwet zonder vergunning de in dat artikel genoemde handelingen verricht, zijn deze handelingen onrechtmatig tegenover de eigenaren van aangrenzende percelen die daarvan hinder of overlast ondervinden. Dat een en ander zich hier voordeed, heeft het Hof kennelijk aangenomen. Daarvan uitgaande kon het Hof in het midden laten of de overlast en hinder in de omvang als door [verweerder] gesteld, ten processe was komen vast te staan.
3.6 Waar geen van de middelen tot cassatie kan leiden, dient het beroep te worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt eisers tot cassatie in de kosten van het geding in cassatie, welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van verweerder in cassatie worden begroot op ƒ 305,45 aan verschotten en ƒ 1.700,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter, de vice-president Drion en de raadsheren Haardt, Martens en Van den Blink, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op
17 september 1982.