ECLI:NL:HR:1982:AG4467

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 oktober 1982
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
11991
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Drion
  • raadsheer Snijders
  • raadsheer Royer
  • raadsheer Van den Blink
  • raadsheer Verburgh
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7a:1623k BWArt. 7:269 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperkte toepasselijkheid van artikel 7a:1623k BW bij beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte

In deze zaak vorderde Rens ontruiming van het bovengedeelte van een winkel-woonhuis dat door Tolsma werd bewoond. De rechtbank wees de vordering af, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering alsnog toe. Tolsma stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De kernvraag betrof de toepasselijkheid van artikel 7a:1623k van het Burgerlijk Wetboek (thans art. 7:269 BW Pro), dat de voortzetting van onderhuurovereenkomsten regelt bij beëindiging van de huurovereenkomst tussen huurder en verhuurder. De Hoge Raad stelde vast dat deze bepaling alleen geldt voor huurovereenkomsten die betrekking hebben op woonruimte, en niet voor andere soorten huur, zoals bedrijfsruimte.

Het hof had vastgesteld dat de bovenwoning niet als zelfstandige woonruimte was verhuurd, maar onderdeel uitmaakte van een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte. Daarom was artikel 7a:1623k niet van toepassing en kon Tolsma geen beroep op dit artikel doen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde Tolsma in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en artikel 7a:1623k BW is niet van toepassing op beëindiging van huurovereenkomsten van bedrijfsruimte.

Uitspraak

29 oktober 1982
Eerste Kamer
Nr. 11.991
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
Jan TOLSMA,
wonende te Bussum,
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. E. Korthals Altes,
PD – HR 17/12/1981,
t e g e n
Magdalena RENS,
wonende te Naarden,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. K.G.W. van Oven.
1. Het geding in feitelijke instanties
Rens heeft bij exploot van 29 mei 1981 Tolsma gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd dat de President Tolsma veroordeelt het door hem bewoonde bovengedeelte van het winkel-woonhuis, gelegen te Bussum, Brinklaan 21a, te ontruimen.
Nadat Tolsma tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de President bij vonnis van 11 juni 1981 de gevraagde voorziening geweigerd.
Tegen dit vonnis heeft Rens hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam.
Bij arrest van 16 oktober 1981 heeft het Hof het vonnis van de President vernietigd en de vordering alsnog toegewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Tolsma beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Rens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Franx strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof.
3. Beoordeling van het middel
Op grond van artikel 1623
kvan het Burgerlijk Wetboek wordt ''in geval van beëindiging van de huurovereenkomst tussen huurder en verhuurder'' de onderhuurovereenkomst die betrekking heeft op een zelfstandige woning waar de onderhuurder zijn hoofdverblijf heeft, door de verhuurder voortgezet.
Wil er plaats zijn voor toepassing van dit artikel, dan zal eerst moeten worden vastgesteld dat er sprake is van ‘’beëindiging van de huurovereenkomst tussen huurder en verhuurder’’ in de zin van deze wetsbepaling. Dit doet dan de vraag rijzen, of artikel 1623
ktoepassing kan vinden bij beëindiging van ieder soort huurovereenkomst, dan wel of de wetgever slechts het oog heeft gehad op beëindiging van die huurovereenkomsten, die -althans voor wat betreft het onderverhuurde gedeelte van het gehuurde — zijn te beschouwen als overeenkomsten van huur en verhuur van woonruimte, waarop van toepassing zijn de bepalingen van de afdeling waarin artikel 1623
kis opgenomen. Anders dan in het middel kennelijk wordt aangenomen, moet deze vraag in laatstbedoelde zin worden beantwoord. Waar noch de tekst van de wet, noch de wetgevingsgeschiedenis daartoe noopt, mag de toepassingssfeer van een zo ingrijpend wetsvoorschrift als artikel 1623
k, niet worden uitgebreid tot gevallen van beëindiging van (hoofd)huurovereenkomsten die zelf niet beheerst worden door de artikel 1623
aen volgende. Dit laatste zou tot gevolg hebben dat de verhuurder niet alleen — zonder dat daartoe zijn toestemming is vereist — partij wordt bij een tussen anderen tot stand gekomen huurovereenkomst, maar ook dat deze hem bindende (onder)huurovereenkomst door andere wettelijke regels — ook voor wat de vaststelling van de huurprijs betreft — geregeerd kan worden dan die welke de overeenkomst beheersen, op grond waarvan hij het verhuurde aan de (hoofd)huurder in huur had afgestaan.
Waar het Hof — in cassatie onbestreden — heeft vastgesteld dat de door Tolsma bewoonde bovenwoning door Rens niet aan Eichholtz is verhuurd als een zelfstandige woning naast de verhuur van de bedrijfsruimte, maar dat de overeenkomst in zijn geheel moet worden aangemerkt als betrekking hebbende op bedrijfsruimte, heeft het Hof terecht aangenomen dat aan Tolsma geen beroep op artikel 1623
ktoekomt. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Tolsma in de kosten van het geding in cassatie, welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van Rens worden begroot op ƒ 305,45 aan verschotten en ƒ 1.700,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Drion als voorzitter en de raadsheren Snijders, Royer, Van den Blink en Verburgh, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op
29 oktober 1982.