Uitspraak
21 januari 1983.
Hoge Raad
In deze zaak vorderden eiser en verweersters dat de burgemeester van Amsterdam de politie opdracht zou geven om een gewelddadige bezetting van een pand te beëindigen en de vrije toegang en bescherming van het pand te waarborgen. De rechtbank en het hof hadden deze vordering toegewezen, waarbij het hof oordeelde dat de burgemeester niet redelijkerwijs kon besluiten geen politieoptreden te bevelen.
De Hoge Raad stelt vast dat het hier niet gaat om een schadevergoeding wegens onrechtmatig nalaten, maar om een rechterlijk bevel tot het geven van een politieopdracht. Cruciaal is of er een rechtsplicht bestaat voor de burgemeester om deze opdracht te geven. De Hoge Raad benadrukt de grote mate van beleidsvrijheid die een burgemeester heeft bij het afwegen van de ernst van ordeverstoring, de risico's van politieoptreden en de beschikbare middelen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met deze beleidsvrijheid en dat het niet aan de rechter is om deze verantwoordelijkheid over te nemen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad eiser en verweersters in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug vanwege onvoldoende erkenning van de beleidsvrijheid van de burgemeester.