Uitspraak
4 februari 1983.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot wijziging van alimentatiebetalingen door de man aan zijn voormalige echtgenote, waarbij het hof de draagkracht van de man had vastgesteld zonder voldoende motivering en zonder rekening te houden met alle relevante omstandigheden.
De man had verzocht om verlaging van de alimentatie, terwijl de vrouw dit betwistte. Het hof vernietigde de eerdere beschikking van de rechtbank en stelde een lagere alimentatie vast, maar ging niet in op alle door de vrouw aangevoerde omstandigheden die de draagkracht van de man juist zouden vergroten.
De Hoge Raad oordeelde dat een wijziging van alimentatie slechts mogelijk is bij aantoonbare wijziging van omstandigheden en dat de rechter zijn motivering hierover duidelijk moet geven. Tevens was het onjuist dat het hof de door de man betaalde lijfrentepremies als draagkrachtverminderend had meegewogen zonder dit te motiveren, terwijl de rechtbank deze premies buiten beschouwing had gelaten.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de motiveringsplicht en juiste draagkrachtbepaling in acht moeten worden genomen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor herbeoordeling naar een ander hof.