Uitspraak
18 maart 1983.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Rechtbank te Zwolle het verzoek tot faillissementsverklaring van verzoeker afgewezen. Verweerder stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof te Arnhem, dat het vonnis vernietigde en verzoeker in staat van faillissement verklaarde. Verzoeker stelde daarop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of verzoeker zich in de toestand van opgehouden te betalen bevindt, terwijl hij naast een onbetaalde schuld aan verweerder ook een belastingschuld heeft die op grond van een uitstelregeling volgens artikel 17 van Pro de Invorderingswet Directe Belastingen nog niet opeisbaar is. De Hoge Raad oordeelde dat deze niet-opeisbare belastingschuld niet verhindert dat sprake is van faillissement.
Het Hof had bovendien meegewogen dat verzoeker slechts geringe inkomsten heeft uit de handel in tweedehands auto’s, die met incidenteel geleend geld worden gedreven, en dat er waarschijnlijk nog meer schulden zijn. De Hoge Raad vond geen schending van artikel 17 van Pro de Invorderingswet en bevestigde het arrest van het Hof. Verzoeker kreeg toestemming om kosteloos in cassatie te procederen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de faillissementsverklaring van verzoeker.