ECLI:NL:HR:1983:AG4564

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 april 1983
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
12107
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Ras
  • raadsheer Snijders
  • raadsheer Martens
  • raadsheer Van den Blink
  • raadsheer Verburgh
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1612 BWArt. 863 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand · 11 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nieuwe eigenaar gebonden aan huurprijsbedingen volgens koop breekt geen huur

In deze zaak vorderde eiser ontbinding van de huurovereenkomst en betaling van huurachterstanden en gebruiksvergoeding van Stichting De Kleine Comedie. De kantonrechter wees de vorderingen grotendeels toe, maar de rechtbank vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen af. Eiser stelde daarop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de nieuwe eigenaar krachtens artikel 7A:1612 BW (thans 7:226 BW) gebonden is aan de huurprijsbedingen die golden tussen de oorspronkelijke eigenaar en de huurder. Het komt daarbij niet aan op de interpretatie van de opvolgende eigenaar, maar op die van de oorspronkelijke partijen. De Hoge Raad verwierp de middelen van eiser en bevestigde dat de nieuwe eigenaar de verplichtingen uit de huurovereenkomst overneemt.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiser in de kosten van het geding. Hiermee werd het vonnis van de rechtbank definitief, waarbij de vorderingen van eiser werden afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

8 april 1983
Eerste Kamer
Nr. 12.107
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
In de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. H.J. Snijders
t e g e n
STICHTING DE KLEINE COMEDIE ,
gevestigd te Maastricht ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. P.A. Wackie Eijsten,
PD - Rb 7/1/1981.
1. Het geding in feitelijke instanties
[eiser] heeft bij exploot van 15 augustus 1980 De Stichting gedagvaard voor de Kantonrechter te Maastricht en gevorderd de tussen partijen bestaande huurovereenkomst te ontbinden en De Stichting te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde, tot betaling van de huurachterstand ad
f36.647, 94 en tot betaling van een gebruiksvergoeding van
f4.110,42 per maand vanaf 1 september 1980 tot aan de dag van ontruiming, met rente en kosten.
Nadat De Stichting tegen die vorderingen verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij vonnis van 19 november 1980 deze vorderingen grotendeels toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft De Stichting hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Maastricht.
Bij vonnis van 29 april 1982 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter vernietigd en de vorderingen alsnog afgewezen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten.
De conclusie van de Procureur--Generaal strekt tot verwerping van het beroep. Deze conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.1 Middel I faalt in al zijn onderdelen op de gronden daartoe aangegeven in de conclusie van het Openbaar Ministerie bij de bespreking van dit middel, aanvangende met "Het eerste middel is ...".
3.2 De onderdelen 1, 2 en 3 van Middel II berusten op de stelling dat er voor de werking van het bepaalde in artikel 1612 BW Pro onderscheid gemaakt kan - en in dit geval ook moet - worden tussen huurprijzen en daarin "verdisconteerde" rechten en verplichtingen die wèl en die niet op de nieuwe eigenaar overgaan.
Die stelling vindt geen steun in het recht.
Huurprijsbedingen behoren uit hun aard tot die rechten en verplichtingen van de verhuurder welke onmiddellijk verband houden met het doen hebben van het gebruik van het goed tegen een door de huurder te betalen prijs en waaraan de nieuwe eigenaar derhalve krachtens artikel 1612 BW Pro tegenover de huurder gebonden is.
De Rechtbank, in rechtsoverweging 5 vaststellende welk bedrag tussen de oorspronkelijke eigenaar en de Stichting als huurprijs gold, behoefde haar conclusie dat "derhalve" ook [eiser] als nieuwe eigenaar/verhuurder daaraan gebonden was, dan ook niet nader te motiveren.
3.3 Onderdeel 4 van Middel II miskent dat het bij de beoordeling van de vraag welke rechten en verplichtingen uit de oorspronkelijke huurovereenkomst krachtens artikel 1612 BW Pro overgaan op de opvolgende eigenaar in het algemeen juist niet aankomt op de zin die de ópvolgende, maar op die welke de oorsprónkelijke eigenaar en de huurder over en weer aan de bepalingen van die overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen die laatsten te dien aanzien van elkaar mochten verwachten, terwijl geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die in dit geval tot afwijking van die regel zouden moeten leiden.
3.4 Middel III faalt tenslotte op de gronden daartoe aangegeven in de conclusie van het Openbaar Ministerie bij de bespreking van dit middel.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Stichting worden begroot op
f2.005,45, waarvan te betalen
1. aan de Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden de ingevolge artikel 863 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in debet gestelde griffierechten ten bedrage van
f150,--,
2. aan de advocaat Mr. P.A. Wackie Eijsten te 's-Gravenhage:
f1.855,45, waarvan
f1.700,-- voor salaris en
f155,45 aan verschotten.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Ras als voorzitter en de raadsheren Snijders, Martens, Van den Blink en Verburgh, en in het openbaar uitgesproken door vice-president Ras op
8 april 1983.