Uitspraak
21 oktober 1983.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of een vennootschap onder firma (vof) na overdracht van haar vordering aan een besloten vennootschap (B.V.) en haar ontbinding, bevoegd bleef om de vordering op eigen naam te innen. De vof had de vordering oorspronkelijk op [eiser] gevorderd, maar tijdens de procedure werd de vordering overgedragen aan de B.V., die was opgericht door de firmanten van de vof. De vof werd ontbonden en de firmanten werden directeuren van de B.V.
Het hof oordeelde dat ondanks de overdracht en ontbinding de vof bevoegd bleef de vordering te innen, mede omdat een last aan een derde gegeven kon zijn om de vordering op eigen naam te innen ten behoeve van de nieuwe schuldeiser. Dit werd ondersteund door het feit dat de vordering al in eerste aanleg aanhangig was en dat het optreden van de vof noodzakelijk was voor haar liquidatie.
Daarnaast werd geoordeeld dat de vof ten tijde van het afleggen van de eed nog bestond vanwege haar liquidatie en dat de vereffenaar bevoegd was om de vof te vertegenwoordigen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde hiermee de bevoegdheid van de vof en haar vereffenaar in deze procedure.
De Hoge Raad veroordeelde de eiser tevens in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Ras en gewezen door vijf raadsheren.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vof bevoegd bleef de vordering op eigen naam te innen en rechtsgeldig op te treden via haar vereffenaar.