In deze zaak stond centraal of een man, die als lasthebber van zijn vrouw gelden uit haar bedrijf belegde in onroerende zaken die op zijn naam waren gesteld, gehouden was deze eigendommen aan zijn vrouw te leveren. De vrouw vorderde levering van de onroerende goederen aan haar.
De Hoge Raad verwees naar een eerder arrest van 2 april 1976, waarin werd bevestigd dat lastgeving tot belegging van gelden in onroerende zaken mogelijk is, ook als de zaken op naam van de lasthebber blijven zolang de lastgever geen overschrijving wenst. Het hof had vastgesteld dat de man als procuratiehouder van de onderneming van de vrouw optrad als middellijk vertegenwoordiger en bevoegd was de onroerende goederen op eigen naam te kopen.
Het hof concludeerde terecht dat de man gehouden was de onroerende goederen aan de vrouw te leveren, nu zij haar wens daartoe kenbaar had gemaakt. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen van de man en bevestigde het arrest van het hof. De man werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.