Uitspraak
[woonplaats].
22 mei 1984.
Hoge Raad
In deze zaak werd door klager beklag ingediend tegen de inbeslagname van 21 honden die zich bevonden in twee schuren verbonden met zijn woonhuis. De Rechtbank verklaarde het beklag ongegrond, stellende dat de schuren geen deel uitmaken van de woning in de zin van art. 120 Sv Pro omdat klager deze ruimten als bedrijfsruimte gebruikt en deze zonder in het woonhuis te komen toegankelijk zijn.
Klager stelde in cassatie dat de inbeslagname onrechtmatig was omdat de schuren als woning moesten worden beschouwd en dat de bewaring van de honden in strijd was met wettelijke voorschriften omdat de Provinciale Voedsel Commissaris niet als bewaarder was aangesteld. De Hoge Raad overwoog dat het begrip woning ruim moet worden uitgelegd en ook ruimten die binnenshuis gemeenschap hebben met het woonhuis kunnen omvatten.
Desalniettemin oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van de Rechtbank, dat de schuren geen deel van de woning zijn gelet op het gebruik en de feitelijke toegankelijkheid, niet onjuist is en in cassatie niet kan worden getoetst. Tevens werd geoordeeld dat het niet naleven van de voorschriften omtrent bewaring weliswaar een verzuim is, maar dat dit niet zodanig ernstig was dat het beklag gegrond verklaard moest worden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de inbeslagname en de wijze van bewaring van de honden. De zaak werd niet vernietigd maar het middel werd afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van de inbeslagname en bewaring van de honden.