Uitspraak
voorwerpen A;”
voorwerpen A.
16 oktober 1984.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 16 oktober 1984 het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat hem veroordeelde voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, onder D van de Opiumwet. De verdachte werd veroordeeld tot twee jaar en zes maanden gevangenisstraf met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen middelen.
De verdachte voerde in cassatie onder meer aan dat het hof ten onrechte de verklaring van een getuige-deskundige uit eerste aanleg als bewijs had gebruikt zonder dat deze verklaring in hoger beroep was voorgelezen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit op grond van artikel 422, tweede lid, Sv mocht doen omdat de verklaring niet was betwist en het bewijs daardoor rechtsgeldig was.
Daarnaast stelde de verdachte dat de motivering van het hof omtrent de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen witte poeder in plastic zakjes en de substantie in een plastic trechter ontoereikend was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof met zijn overwegingen had voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 13a Opiumwet en artikel 36a juncto 33b Sr en dat het hof niet verplicht was een uitgebreidere motivering te geven.
Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; verdachte veroordeeld tot 2,5 jaar gevangenisstraf met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer.