Uitspraak
16 maart 1984.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak vordert een vreemdeling, die zonder geldige verblijfsvergunning in Nederland verbleef, dat de Staat wordt bevolen hem toe te laten in Nederland totdat op zijn herzieningsverzoek is beslist. De vreemdeling werd uitgezet terwijl zijn herzieningsverzoek nog in behandeling was. Zowel de rechtbank als het hof wezen zijn verzoeken af. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de rechter de overheid niet kan verplichten een vreemdeling toe te laten buiten de gevallen waarin de wet dit voorschrijft.
De Hoge Raad benadrukt dat de Vreemdelingenwet beleidsruimte biedt aan de overheid om vreemdelingen toe te laten, maar dat weigering onrechtmatig kan zijn indien de overheid in redelijkheid niet tot die weigering had kunnen komen. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het verzoek kansloos zou zijn, waardoor het arrest niet in stand kan blijven.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het onthouden van schorsende werking aan het beroep van de vreemdeling onrechtmatig kan zijn indien de uitzetting onrechtmatig was. De Hoge Raad veroordeelt de Staat tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de vreemdeling.
Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.