Uitspraak
11 mei 1984.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiseres vergoeding van schade wegens de verkoop van een aan haar gerelateerd woonhuis aan een derde zonder haar medeweten. De rechtbank gelastte een comparitie en het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering af. Eiseres stelde vervolgens beroep in cassatie in.
De Hoge Raad stelt vast dat bij legatering van een bepaalde zaak de eigendom niet van rechtswege overgaat op de legataris, maar dat het legaat slechts een verbintenis tot levering schept. Dit wijkt af van eerdere rechtspraak uit de vorige eeuw, maar is de huidige algemeen aanvaarde opvatting.
Omdat geen levering heeft plaatsgevonden, moet het legaat nog worden nagekomen. Het beroep op wanprestatie omvat daarom ook wanprestatie betreffende de nakoming van het legaat. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
De kosten van het cassatiegeding worden aan verweerders opgelegd. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.