In deze zaak stond de uitleg van de driedagentermijn van artikel 35i lid 1 van de Krankzinnigenwet centraal. Verzoeker was inbewaring gesteld en de voortzetting daarvan werd door de president van de rechtbank bevolen. De vraag was wanneer de termijn van drie dagen, waarbinnen bepaalde procedures moeten worden gevolgd, aanvangt en of deze termijn wordt verlengd indien de laatste dag op een zaterdag, zondag of erkende feestdag valt.
De Hoge Raad stelde vast dat de termijn niet begint op de dag waarop de president van de rechtbank de vordering tot voortzetting van de inbewaringstelling ontvangt, maar dat deze dag niet wordt meegerekend bij de berekening van de termijn. Dit volgt uit de tekst en de geschiedenis van de bepaling en sluit aan bij de algemene regels voor processuele termijnen.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de Algemene Termijnenwet van toepassing is op deze driedagentermijn, waardoor de termijn wordt verlengd als de laatste dag op een zaterdag, zondag of erkende feestdag valt. Het beroep van verzoeker werd verworpen, waarmee de bestaande praktijk werd bevestigd.