Uitspraak
28 september 1984.
Hoge Raad
In deze zaak vordert de Staat bij de Hoge Raad incidenteel dat het arrest van het Hof te Arnhem van 12 maart 1984 alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Deze vordering volgt op een procedure waarin de President van de Rechtbank te Zwolle een verbod aan de Staat oplegde, dat door het Hof werd vernietigd. De Staat wenst dat het Hof-arrest ondanks het cassatieberoep uitvoerbaar blijft.
De Hoge Raad oordeelt dat de Staat niet-ontvankelijk is in deze vordering omdat het arrest van het Hof uitsluitend inhoudt dat het verbod van de President wordt vernietigd en de gevraagde voorziening wordt geweigerd. Een dergelijke beslissing komt niet in aanmerking voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad omdat zij geen tenuitvoerlegging behoeft.
De Hoge Raad benadrukt dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad bedoeld is om tenuitvoerlegging mogelijk te houden ondanks een rechtsmiddel, maar dat wanneer een uitspraak wordt vernietigd, de oorspronkelijke voorziening haar werking verliest. Indien nodig kan in een nieuwe situatie een voorlopige voorziening worden gevraagd op basis van belangenafweging.
De Hoge Raad verklaart de Staat niet-ontvankelijk in zijn incidentele vordering en bepaalt dat elke partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Staat niet-ontvankelijk in zijn incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het arrest van het Hof.