Uitspraak
14 december 1984.
Hoge Raad
In deze zaak vordert Heidam de ontbinding van een overeenkomst met Floritex B.V. en terugbetaling van een bedrag van ƒ 300.000,-- dat na faillietverklaring door Heidam aan Floritex is betaald. De rechtbank verklaart de overeenkomst ontbonden wegens wanprestatie en veroordeelt de curator tot gedeeltelijke terugbetaling. Het hof bekrachtigt dit vonnis en wijst de zaak terug voor verdere afdoening.
De Hoge Raad oordeelt dat door de ontbinding van de overeenkomst met terugwerkende kracht de rechtsgrond voor de betaling vervalt, waardoor sprake is van onverschuldigde betaling jegens Heidam. Omdat de betaling na de faillietverklaring is verricht, is de vordering van Heidam niet voor verificatie in het faillissement, maar valt deze onder art. 24 Faillissementswet Pro, waardoor de boedel aansprakelijk is voor zover zij is gebaat.
De Hoge Raad verwerpt de bezwaren van de curator tegen deze uitleg en bevestigt dat art. 24 Faillissementswet Pro ook ziet op verbintenissen die niet door de gefailleerde zijn ontstaan. Het beroep wordt verworpen en de curator wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de curator wordt verworpen en de vordering van Heidam tot terugbetaling van onverschuldigde betaling wordt bevestigd onder toepassing van art. 24 Faillissementswet.